Interviewsuitgelicht

Ack van Rooyen en het rode studiolichtje als publiek

Ack-van-Rooyen-Foto-Gemma-van-der-Heyden-JazzNu.com_-2 Ack van Rooyen en het rode studiolichtje als publiekHij is inmiddels 87 en woont weer in zijn ouderlijk huis, een statige, twee verdiepingen tellende honderd jaar oude woning. Het glas in lood in de woning heeft zijn vader nog gemaakt. Die had een glas in lood bedrijf. “Den Haag is een fijne stad voor oudere mensen. Het heeft van alles zoals het strand maar niet de drukte van een stad als Rotterdam of Amsterdam.” Woorden van Ack van Rooyen.

De trompettist/flugelhornspeler is geboren op Nieuwjaarsdag 1930. In 1949 studeerde Ack van Rooyen cum laude af aan het Koninklijk Conservatorium van Den Haag en kreeg daarna een contract bij Het Gelders Orkest.

Later dat jaar bezochten Ack met zijn broer Jerry, trompettist, arrangeur en componist en trompettist Rob Pronk New York, waar ze de grote jazzhelden op 52nd Street beluisterden. Geïnspireerd door deze ervaring vormden de Van Rooyens samen met Pronk en pianist Rob Madna, de band Boptet. Ack van Rooyen maakte tot 1952 deel uit van Het Gelders Orkest. Na zijn militaire diensttijd, waar hij speelde bij de Luchtmachtkapel, keerde hij daar niet meer terug, maar naar Hilversum om bij The Ramblers te spelen.

CLARK TERRY

Ack van Rooyen was solist bij de WDR Big Band, het Metropole Orkest en speelde bij het Clark Terry Orchestra en het Gil Evans Orchestra tijdens hun Europa Tournee. Van Rooyen was verbonden aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag als hoofdvakdocent jazztrompet. Momenteel geeft hij workshops en concerten.

Je bent al op jonge leeftijd in aanraking gekomen met de jazzmuziek. In 1946 vertrok je met je broer naar Indonesië. Wat bracht je daarheen?
De Tweede Wereldoorlog was net afgelopen in Nederland toen wij een oorlog begonnen in Indonesië. De politiek stuurde er duizenden militairen naar toe. En voor hen zijn we gaan spelen met een big band, net als Glenn Miller een aantal jaren eerder bij de Amerikaanse troepen. We speelden dezelfde stukken, zoals Moonlight Serenade en In The Mood. Het was voor ons een enorme gebeurtenis dat we vanuit de hongerwinter ineens tussen de palmbomen stonden.

Wie betaalde dat?
De overheid. Veel Hollandse groepen gingen daarheen.

De liefde voor jazzmuziek is daar dus opgelaaid.
De liefde voor de jazz was er al tijdens de oorlog.

Ack-van-Rooyen-Foto-Gemma-van-der-Heyden-JazzNu.com_-3 Ack van Rooyen en het rode studiolichtje als publiekHoe kwam je in aanraking met jazz?
Via de radio, de Britse omroep. De big bands waren toen al heel populair. Al tijdens de oorlog had je The Dutch Swing College Band. Ik zat in een band waarmee we verschillende soorten muziek speelden, ook bebop, met Rob Madna en later ook met Rob Pronk.

Op het Koninklijk Conservatorium heb je trompet gedoceerd.
Ja, ik speelde toen trompet bij The Skymasters. Maar tijdens solo’s voelde ik me toch meer thuis op de fluegelhorn.

In 1949 ga je met je broer en Rob Pronk naar New York…
Dat waren studentenuitwisselingen. Eerst naar Quebec en daarna naar New York. Dat was onze eerste confrontatie met bebop en jazzmuziek live. We liepen op 52nd street.

En je ontmoette er Fats Navarro.
Het was een belevenis om hem live te zien. Cd’s en lp’s zijn prima, maar er zit toch altijd nog een wereld tussen. Toen ik Navarro live hoorde realiseerde ik me dat.

En Clifford Brown?
Met Clifford ook, maar die zat in die tijd nog niet zo in de New-Yorkscène. Hij was geloof ik nog te jong. Clifford is jong gestorven, maar hij heeft veel achtergelaten. Hij heeft enorm veel indruk op me gemaakt. Die man was zo compleet. Als instrumentalist, als jazzspeler, harmonisch spelen, timing. Een fantastisch mens.

Daar stak Charlie Parker als persoon dan wel schril tegen af.
Ach ja drugs. Ik wil er liever niet over praten. Maar je weet dat die mensen ook onzeker zijn en behoorlijk onder druk staan. En dan gebruiken ze het één en ander.

En Dizzy? Hoe kwam hij aan bij de jonge Ack?
Ik heb zijn muziek in Indonesië al leren kennen. Jazzfans van het Amerikaanse consulaat zochten contact met ons. Zij hadden van die V-disks. Lp’s alleen bestemd voor het leger. En die speelden ze dan voor ons. De muziek van Charlie Parker en Dizzy was tot dan onbereikbaar.

Ack-van-Rooyen-Foto-Gemma-van-der-Heyden-JazzNu.com_-4 Ack van Rooyen en het rode studiolichtje als publiekBegin jaren vijftig heb je je gevestigd in Den Haag en speelde je met Rob Pronk en Rob Madna en je broer in het ensemble Boptet.
Wij speelden de eerste set van een concert in club Gaillard, aan de Laan van Meerdervoort en de Dutch Swing College speelde daarna. De mensen kwamen uiteraard voor de Swing College. Aan ons waren ze nog niet toe – en andersom.

Een tijdje later ging je bij The Ramblers spelen.
Ik had met hen een job voor de radio en dat opende veel deuren. Daarvoor had ik al met Boyd Bachmann gespeeld. Hij had een showorkest, kwam uit Denemarken en had goede connecties met Zweden en daar wilden we naartoe. Stockholm was in die tijd een Mekka. Eigenlijk zijn we bij dat orkest gaan spelen om naar Zweden te kunnen. Daar bevonden zich toen de beste muzikanten. Daarmee traden we een tijdje op totdat we genoeg hadden van dat showorkest.

Bij The Ramblers vertrok ik vanwege een aanbieding uit Parijs bij Aimé Barelli. Een toporkest waar ik drie jaar deel van uitmaakte. Ik was daar met (toen nog vriendin) Barbara. In de zomer speelden we in Monte Carlo en in de winter in Parijs. En Barbara zong in de Mars, een fameuze after-hourclub. Toen kreeg ik een aanbieding in Berlijn. Hoe ik in Duitsland terecht kwam, weet ik niet meer. Misschien door bepaalde opnamen.

Jazz maakte in die tijd ook nog wel meer dan nu, deel uit van het muzikale leven.
Jazeker. Denk aan Jazz in the Philharmonic en al die big bands die overkwamen.

In je discografie trof ik een cd met composities van Chuck Israels. Vanwaar je keuze voor zijn werk?
Het ging om een radio-uitzending met muziek van een symfonie-orkest. En het was zo goed dat ik het wel op de plaat wilde zetten, anders verdwijnt het en hoor je er nooit meer wat van. Chuck heeft daarvoor geschreven. Dat was muziek zonder ritmesectie en uitsluitend voor het symfonieorkest. Het label Mood Records, waar ik deel van uitmaakte, samen met Albert Mangelsdorff, bestaat niet meer.

De teloorgang van de platenindustrie. En nu moet je het hebben van de live-optredens.
Ja en dat is ook het leukste. Ik ben eigenlijk uit de studio gegroeid. De studio gaat in tegen de wetten van de natuur. Het rode lichtje is het publiek. Het Metropole-orkest en The Skymasters waren zo goed omdat ze veel live speelden. Dat houdt de muzikanten in leven.

Met Eberhard Weber heb je ook gespeeld. Enkele jaren geleden heeft hij een tweede cd uitgebracht, ‘Encore’, met opnamen verspreid over twintig jaar.
Ja, hij speelde met Jan Garbarek. Ze hebben jarenlang elk concert opgenomen. De bassolo’s haalden ze eruit. En vervolgens zat ik met een koptelefoon in een studio in Frankrijk met de opdracht er wat op te verzinnen.

Je stadgenoot Eric Ineke liet zich laatst ontvallen dat hij zich stoort aan het feit dat Den Haag niet prominent op de kaart staat als bebophoofdstad van Nederland. Maar Amsterdam krijgt buitenproportioneel veel subsidie. Ben je het met hem eens?
Scholen zijn aangewezen op het aantal studenten. Ze ontvangen een bepaalde som subsidie per zoveel leerlingen. Er zijn heel veel leerlingen die alleen voor gitaar en slagwerk komen. Dat is dan niet genoeg. Ik zou ook naar Amsterdam gaan als ik nu jong was. De leraren die er zijn, het programma.

Ack-van-Rooyen-Foto-Gemma-van-der-Heyden-JazzNu.com_-1 Ack van Rooyen en het rode studiolichtje als publiekEn het Haagse jazzverleden?
Hier was natuurlijk Frans Elsen. Hij heeft de jazzafdeling hier opgezet. Dat was ver voor de tijd met de rockmuziek. Jazz was toen breed bekend. De mode weegt vaak zwaar door. Jazz was hip. Jonge mensen hebben het alleen maar over de muziek van vandaag. Je hoort ze niet meer over Sonny Rollins of Clifford Brown.

Dat is eigenlijk wel jammer. Ze hebben de muziek toch groot gemaakt. Ze vormen de wortels.
Zeker. Je kunt niet een huis in het midden beginnen te bouwen.

Dan maar meteen naar de toekomst.
Ik leef in het hier en nu, want je weet toch nooit hoe het zich gaat ontwikkelen. Er is laatst een nieuwe cd van me uitgekomen met duo’s en trio’s. Daar staat ook een stuk met Eberhard Weber op. Ik breng de cd uit in eigen beheer. Verder verlenen medewerking Eef Albers, Jasper van ’t Hof, Peter Tiehuis, twee ‘New York poems’ van mijn zwager Edward Field. En mijn vrouw Barbara is te beluisteren met een opname uit het Bimhuis.

Ga je binnenkort nog op tournee?
Ik ga nog regelmatig naar Duitsland. Ik kom net terug uit Regensburg, had daar een workshop voor muziekstudenten. Veel talent maar niet veel uitzonderlijke solisten. Het is alsof ze niet veel naar muziek luisteren. Als ik ze dan bijvoorbeeld vraag naar hun grote voorbeeld op de saxofoon, dan komen ze met Chris Potter. En na lang nadenken beginnen ze misschien over John Coltrane, maar verder terug gaat het niet.

Een tijdje terug ook. Vijfhonderd kilometer reizen naar Zuid-Duitsland om er te spelen in trio met Juraj Stanik en Frans van Geest. Een prachtfestival, maar wel met enorm harde muziek. We speelden op een afgelegen deel van het festival. Opeens kwamen er mensen binnen die wel eens iets anders wilden horen. Ze kwamen echt om te luisteren. Ik vind de muziek tegenwoordig veel te hard. Het is toch vreemd dat musici tegenwoordig met oordoppen in moeten spelen? Verantwoordelijk zijn de technici achter de knoppen die zichzelf erg belangrijk maken.

Je treedt nog steeds regelmatig op in Duitsland.
Ja ik ben daar bekend, met name bij het oudere publiek, nog van Bert Kaempfert. Ken je die naam? Ze nodigen me uit om te horen of ik het nog wel kan. Binnenkort speel ik in Hamburg op het Bert Kaempfertplein.

 

ANEKDOTES

Als de microfoon uit is zitten we onder het genot van een glas biologische witte wijn in de tuin en al snel volgen de anekdotes.

Over Chet: “Ik bood hem bij de bar ‘a drink’ aan. En hij zei ‘No thanks, alcohol makes me silly’.”

Over Miles: “Ze hebben dat album, Bitches Brew, opgenomen en elke muzikant die er aan mee had gewerkt ging er vandaan met het idee dat het een flop zou worden. In de studio hebben ze er een kaskraker van gemaakt. Live is dat niet waar te maken.”

Over Hans Dijkstal: “Een geweldige jazzliefhebber en radiopresentator. Er was bij hem ingebroken in Wassenaar. Alles was weg, zijn volledige platen- en cd-collectie. Hij zegt tegen me: ‘Ze hebben alles meegenomen, behalve die van jou.’ ‘Ja,’ zeg ik, ‘want die hadden ze al’.”

ROBIN ARENDS
Foto’s GEMMA VAN DER HEYDEN

 

www.ackvanrooyen.com

 

Vorig Artikel

Schuchtere Greetje Kauffeld sterk in Concertgebouw

Volgend Artikel

JazzNu over: Sonny Stitt

Geen Reactie

Laat een bericht achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *