Interviews

Ernst Glerum handelt primair als veiligheidsfluitje gilt

Een gesprek over contrabasspelen met zweethanden. Over eelt op je vingers, over ‘baskluifjes’. En over darmsnaren. “Die zorgen ervoor dat ik heel wat minder kilo’s moet wegdrukken, heerlijk.” Aan het woord is Ernst Glerum. Op de eerste plaats contrabassist, maar ook pianist en violist en trompettist. “Ik beweeg soms van een grote puinhoop tot enorme euforie.” 

Zogenaamde vergissingen bestaan niet voor Ernst Glerum (1955).  Want die leveren hem gewoon nieuwe perspectieven op. In de beslotenheid van zijn schuurtje zoekt hij naar verrassingen. Daar creëert de contrabassist een droomwereld waar hij zichzelf in kan verliezen. En dat levert hem dan weer inspiratie op. Zoveel dat hij die kan delen op podia met groepen waarmee hij speelt. Ernst Glerum is vooral een schepper. “Ik arrangeer, schep klanken. Soms heb ik ingevingen, ideetjes. Het bespelen van een instrument is in eenzaamheid proberen er dingen uit te halen, waarvan je niet wist dat ze bestonden.”

En dit alles voornamelijk op contrabas, het instrument waarvoor hij koos toen hij rond zijn achttiende “in een jazzcafé in Deventer een gast hoorde op bas.” Daar werd hij zo door gegrepen dat hij in een dixieland contrabas ging spelen “met een muziekleraar die verdomde goed klarinet speelde.” Hij ging tijdens beatmissen ook de Philicorda (elektronisch orgeltje, red.) bespelen. “En toen dacht ik: ik wil ook viool spelen. Dat deed ik dan ook, in kerken. Ik vond alle instrumenten fantastisch. In Deventer kreeg ik twee jaar les van Jaap Glerum van het Overijssels Philharmonisch Orkest. Hij stoomde me klaar voor het Sweelinckconservatorium in Amsterdam, waar ik op 21-jarige leeftijd contrabas ging studeren bij Henk Guldemond van het Concertgebouworkest. Een klassieke opleiding: een jaar vooropleiding, zes jaar studeren. Op mijn 28e was ik klaar.” Hij maakte toen al deel uit van het ASKO-ensemble en vooral van talloze improvisatiegroepen als die van Sean Bergin, J.C. Tans, Theo Loevendie, Curtis Clark. Hij  speelde met slagwerker Han Bennink met allerlei internationale grootheden als John Zorn, Don Byron, Butch Morris, Jimmy Knepper, Jamaaladeen Tacuma, Bud Shank, George Lewis en Steve Lacy. Hij maakt deel uit van de Instant Composers Pool en liet zijn stempel na bij groepen van Guus Janssen, Paul Termos en Available Jelly. In 2009 ontving Ernst Glerum de VPRO/Boy Edgarprijs.

ernst4 Ernst Glerum handelt primair als veiligheidsfluitje giltBLOKFLUITLES

Op achtjarige leeftijd begon Ernst Glerum met blokfluitles. “Volgens mijn moeder deed ik dat heel aardig, maar ik vond het niet leuk. Ik zat in een klasje met alleen maar meisjes. Toen ik een jaar of veertien, vijftien was, werd dat een enorm probleem. Een blokfluit is immers niet stoer. Ik ben toen gitaar gaan spelen, heb het mezelf aangeleerd. Later kreeg ik les in klassiek en pop. Alles wat ik op gitaar leerde, probeerde ik ook uit op piano. Ik kreeg interesse in dat instrument nadat ik singletjes hoorde van Rob Hoeke. Een vriendje en ik daagden elkaar uit en soms kwamen we dan uit bij jazz. Rond mijn zestiende leende ik veel muziek bij de Deventer Muziekbibliotheek. Onbewust kwam ik zo in contact met de muziek van Paul Bley, Thelonious Monk, Django Reinhardt en Oscar Peterson. Zo werd de piano de constantste factor in mijn leven.”

Toch werd het de contrabas. Vooral vanwege de vele mogelijkheden. Wat je allemaal kunt met een contrabas, ligt volgens Ernst Glerum volledig aan je karakter en temperament. En ook aan welke rol je wilt spelen. “Het instrument heeft beperkingen in akoestische zin. Een contrabas is een laag instrument. Ikzelf heb een oor voor lage noten. De meesten hebben echter een gehoor voor bovenstemmen. Dan zijn je mogelijkheden niet eindeloos. Als je op een contrabas boventonen wilt voeren, zijn er natuurlijke grenzen. Door de hele jazzgeschiedenis zie je verschillende types spelers. Charles Mingus, Alan Silva, Slam Stewart en Jimmy Blanton kwamen allemaal voorbij met hun eigen speelwijze – Mingus’ techniek met zijn rechterhand is uniek, al is het wel ‘old school’. Zij hebben de grenzen van de contrabas opgerekt. In de improvisatiemuziek is Barry Guy met zijn frenetiek spel heel opvallend. Die zit op een heel ander spoor, waar ik niet goed van word. Een contrabas is een enorm rijke klankbron. Niet tijdens de beperking van vier-in-de-maat, maar wel als het gaat over klanken en hun rangschikking en de virtuositeit van het instrument. Maarten Altena en Barry Guy zijn daar mooie voorbeelden van.”

Met een basgitaar heeft Ernst Glerum niets. “Ik heb het instrument wel eens uitgeprobeerd toen ik met J.C. Tans speelde, maar ik heb er geen klik mee. Elektrische instrumenten boeien me niet.” Maar wat is dan het verschil tussen een contrabas en een basgitaar. “Dat is een interessant punt. Jij denkt misschien dat een basgitaar lager kan, terwijl dat niet zo is. Een gedeelte van het luisteren naar muziek bestaat er uit hoe frequenties door je heen gaan. Een basgitaar is met pick-ups ontworpen om het signaal van de stalen snaren heel goed te versterken. Dat is effectief en dat kun je tot enorme proporties opblazen. Dat ondervinden met name de lager gelegen lichaamsdelen. Hetzelfde geldt voor de bassdrum. Een contrabas is daar echter niet op ontworpen. Door de voortschrijdende techniek is er een tendens ontstaan dat een contrabas steeds meer versterking nodig heeft. Met teleurstellende resultaten. Helaas gebruik ik die hulpmiddelen zelf ook. Maar eigenlijk vind ik ze ver-schrik-ke-lijk. Intussen is dit allemaal standaard geworden. Het eerste wat tegenwoordig wordt uitgeladen is een gigantische teringzooi aan elektrische spullen. Het is een fikse aderlating dat de akoestiek daardoor is verdwenen. Het akoestische is immers het allermooiste kenmerk van de contrabas. Drummers zijn gewend hun hele gewicht in hun stokken te hangen. Daardoor moet de bas worden versterkt.”

ernst5 Ernst Glerum handelt primair als veiligheidsfluitje giltSOLO-INSTRUMENT

Zou die overkill aan versterking op het podium ook een ontwikkeling in gang zetten, waarin een contrabas nog meer in de hoek van de begeleiding wordt gedrukt en nauwelijks nog kan worden ingezet als solo-instrument? Ernst Glerum weet daar wel antwoord op. “Het gaat niet om het instrument, maar om wat je zelf wilt en welke mogelijkheden je hebt. Het is overigens een fijne vraag. Ik werd er ook mee geconfronteerd op het conservatorium, waar ik solostukken voor contrabas moest instuderen. Over de basliteratuur bestaan verschillende meningen. Een ervan is dat solospelen moeilijk is, maar wel te doen. Veel literatuur voor de contrabas is gestoeld op die van de viool of cello. De vraag verdwijnt overigens als sneeuw voor de zon, als iemand heel mooi bas speelt. Dan had het ook een panfluit kunnen zijn. Het heeft allemaal te maken met de persoon, wie het lukt of niet lukt.”

Is de contrabas een fijn instrument om te improviseren, zou dan de volgende vraag kunnen zijn. “Ja en nee. Já, als ik in mijn eentje ben, veel minder met mensen erbij en néé, met een heleboel mensen.”

Strijken of plukken, wanneer doet zich die vraag voor? “Dat moment kies je zelf. Als je denkt: nu ga ik strijken, ben je te laat. Ikzelf denk vrij veel als ik speel. Ik ben geen rasimprovisator. Bij mij gebeurt het hetzelfde als bij Wilbert de Joode: totaal losraken van de materie gebeurt bijna nooit. Ik ken er de sensatie van, maar ook de andere kant, het punt wanneer je beslissingen neemt. Dat je primair of secundair reageert. Ik denk dat ik vaak secundair handel. Tot het veiligheidsfluitje begint te gillen, dan handel ik primair. Temperament is eigenlijk alles.”

Uit alle instrumenten die Ernst Glerum in handen kreeg, koos hij uiteindelijk de contrabas. Was dat omdat het instrument zich gemakkelijk laat bespelen? “Bij een viool is het grote nadeel het kattengejank. Dat heeft alles met de snelheid van de stok op de snaren te maken. Op een contrabas kan zich dat ook voordoen, maar door de lage stemming veel minder. Clemens van der Feen en Joëlle Léandre bijvoorbeeld zijn jong begonnen met spelen; Etienne Siebens is in dit verband mijn grote held. In het begin moet je vooral bij hoge instrumenten wel een beetje doorbijten, bij een contrabas heb je daar minder last van. Om te plukken hoef je niet te studeren, dat kan iedereen. Jawel, dat meen ik echt een beetje. Je moet natuurlijk wel iets opbouwen. Heb je dit alles getrotseerd en je hebt enig ritmisch benul, dan gaat het goed. Als je je echter richt op bijvoorbeeld cellosonates, dan wordt het opeens heel erg moeilijk. Ook doordat de dikte van de snaren ze moeilijk in beweging krijgt.”

ernst3 Ernst Glerum handelt primair als veiligheidsfluitje giltBASKLUIFJES

En je vingers, welke rol spelen die bij dit alles? “Als je er eelt op hebt is het goed. Je moet echter ook geluk hebben met je type huid. Als je vaak last hebt van zweethanden wordt snaren bespelen moeilijker. Maar als je gewoon regelmatig speelt gaat het gewoon goed. Ik heb nooit problemen, terwijl ik geen echte baskluifjes heb. Ik speel graag op darmsnaren, die produceren het echte geluid. Bovendien is er dan sprake van veel minder kilo’s die ik moet wegdrukken, heerlijk!”

Is het mogelijk het spel op de contrabas volledig te beheersen? “Voor mij niet. Er zal altijd wel wat te wensen zijn. Soms verkijk ik me. Dan heb ik een periode hard geoefend en denk: nu heb ik het. En dan komt het concert en ervaar ik: nou, nou, dat ging maar net goed. Naarmate je ouder wordt, ga je steeds meer nadenken. Als je jong bent, dóe je gewoon. De ongerijmdheid van de jeugd is geweldig. Maar de koorts blijft. Je gaat later vaker door hetzelfde proces, daar heb je dan voordeel van.”

Uiteraard is de kwaliteit van het instrument dat je bespeelt van het grootste belang voor een musicus. Aan welke eisen moet een contrabas voldoen? “Ik heb er een aantal gehad, zo bouw je op. Ik speel nu op een kleine bas. Een heleboel eisen gelden dan niet vanwege de korte snaren. Maar het ding klinkt zó goed. Ik reis veel, maar neem mijn bas nooit mee. Dat wordt veel te ingewikkeld allemaal. Ik speel dan op de ‘bas du jour’. Dat kan prima gaan, zelfs bij een instrument van Chinese makelij. Ze hebben allemaal wel wat. Ik ben nog nooit een perfect instrument tegen gekomen. Vandaag bijvoorbeeld heb ik gestudeerd op een bas van de studio waarin we nu aan het opnemen zijn. Het instrument heeft hele strakke snaren. Ik dacht: wat een geweldige bas, maar ik heb wel bijna een blaar op een van mijn vingers.”

Als je niet zo hecht aan één bepaald instrument, hoe kun je je dan onderscheiden van andere contrabassisten? “Daar denk ik altijd over na. Als Maarten Altena iets tussen zijn snaren stopt, ga ik dat níet doen. Ik zoek altijd een eigen geluid. Het is niet erg dat wanneer je in de traditie speelt om in dat idioom te onderzoeken of je je eigen stem kunt laten klinken. Laat die gaan of laat ‘m komen. Je moet de muzikaliteit waarvan je denkt dat die in je zit, loslaten, dat is alles.”

TWEELINGINSTRUMENT

Ernst Glerums contrabas stamt uit 1840. Hij is gebouwd door Georg Frederic Lott uit Londen. Het bijzondere is dat het instrument er een is van een tweeling. De andere is in het bezit van Wilbert de Joode. “Ze zijn zo mooi gemaakt. Omdat ze zo klein zijn, vraag je je af of het bassen zijn voor kinderen. Ze zijn echter als contrabas gebouwd. Met dezelfde vingerzettingen kun je ook cello spelen. Ik kocht de mijne uit de erfenis van Barry Guy. Hij verpatste hem door. De bas heeft exact dezelfde afmetingen als die van Wilbert. Hetzelfde model, de stemmechanieken zijn op maat gemaakt in Davis Coventry Street in Londen, dezelfde straat waar Lott woonde.”

ernst2 Ernst Glerum handelt primair als veiligheidsfluitje giltEen uitzonderlijke bas derhalve. Hoe staat het met de snaren? “Ik heb in Amsterdam een gelukkige tijd meegemaakt, omdat er lang niet zoveel bassisten waren als tegenwoordig. Ik was gewoon Swing Heini en kon met die bas in vieren spelen. Daarmee kon je je toendertijd onderscheiden. Maar nu is er een speler als Stefan Lievestro, waanzinnig goed die jongen. Wat hij kan, kan ik niet. En wat Wilbert en Tony (Overwater, red.) kunnen, kan ik ook niet. Het leukste is een geluid te vinden en dat te ontwikkelen. Het mooiste van muziekmaken is dát te laten horen. Je hebt een stem. Als er sprake is van een verhaal, wil ik dat wel laten horen.”

Spelen, oefenen, repeteren. Het hoort bij het leven van een  beroepsmusicus. En componeren? “Tja, wat ik doe… je zou het componeren kunnen noemen. Als je je wel of niet in de aanwezigheid van een piano over het papier buigt en door die bezigheden associaties oproept, dan componeer je. Zo werk ik niet. Ik arrangeer, orden klanken. Ook na het terugluisteren ga ik weer ordenen. Componeren is een groot woord, ik heb er altijd tegenop gekeken. Soms krijg je ingevingen, ideetjes.”

Dan zijn er nog de trompet en de viool. Plus de piano, zeker de piano. Ernst Glerum speelt momenteel bij Theatergroep Flint in de muziektheaterproductie Sal Ek Altyd Wit Wees, waarin hij voornamelijk achter de piano zit. Bedachtzaam, intuïtief, breekbaar en inspirerend vervult hij zijn rol. Dat extra cachet krijgt doordat hij met tussenpozen ook de contrabas ter hand neemt. “Ik beweeg soms van een grote puinhoop naar een enorme euforie. Ik ben daarbij altijd in twijfel. Ik bespeel beide instrumenten met evenveel liefde. Ik laat me met de contrabas het vaakst zien. Met de piano ook wel, maar dat vind ik niet best. Ik weet nooit welke vorm ik dan moet kiezen. Er zijn al zoveel pianotrio’s. Ik heb geen behoefte om te doen wat anderen ook hebben gedaan. De liefde voor beide instrumenten is even groot. Voor mij gaat het in de muziek over de zoektocht naar hoe je jouw verhaal vorm wilt geven. Gelukkig heb je verschillende verhalen.”

FAVORITE RECORDS

Ernst Glerum heeft sinds 2004 een eigen platenlabel: Favorite Records. Daarop wil hij alleen nog eigen cd’s uitbrengen. “Als de middelen het toestaan wil ik heel graag een cd van Timothy Banchet uitbrengen. Dat is een jonge pianist, die in Utrecht heeft gestudeerd. Een volstrekt autonoom zoekende musicus met een heel goede neus voor de muziek van Art Tatum, Jaki Byard en Bud Powell. Hij heeft veel gospelmuziek gespeeld. Ik wil hem zijn eigen rol laten kiezen, met goede stukken en vooral een onderscheidend geluid.”

RINUS VAN DER HEIJDEN
beeld GEMMA VAN DER HEYDEN

www.ernstglerum.nl

Lees interview op JazzNu terug met:

Tony Overwater

Wilbert de Joode

 

 

 

 

 

 

Vorig Artikel

Spotify Tineke Postma

Volgend Artikel

Eric Vloeimans ontvangt  Muziekprijs Bernhardfonds

Geen Reactie

Laat een bericht achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *