Interviews

Rosario Bonaccorso’s handpalm: liefde en muziek

De Italiaanse contrabassist Rosario Bonaccorso is bijna zestig jaar. Onlangs bracht hij zijn album ‘A Beautiful Story’ uit. Een persoonlijk document van een levensgenieter die de dood van nabij kent. De interviewer van JazzNu liep hem onlangs toevallig tegen het lijf. De musicus biedt hem gretig een interview aan. Een aanbod dat niet geweigerd kan worden. Op zoek naar een geschikte plek belanden we in een verlaten portaal waar een aantal geblindeerde hokken, bestemd voor interviews, naast elkaar zijn geplaatst. Bonaccorso ziet er de humor wel van in. “Laten we hier gaan zitten. Wat een lelijke plek! Het lijkt wel een paspoortcontrolezaal van de politie!”

Rosario-Bonaccorso-Foto-Roberto-Cifarelli Rosario Bonaccorso's handpalm: liefde en muziek
Rosario Bonaccorso. Foto Roberto Cifarelli

Zodra we plaats hebben genomen steekt de in het Oostenrijkse Bregenz wonende Italiaan meteen van wal. “Vandaag heb ik in ons hotel via mijn vrouw iemand ontmoet die twintig jaar terug onze persagente was. Ze kwam uit Parijs. We zagen elkaar voor het eerst in Tokio tijdens een ontmoeting tussen Italiaanse en Aziatische musici. Ze trof mijn vrouw tijdens de yogales in het hotel en ze hebben met elkaar gepraat. Vervolgens vertelde mijn vrouw haar: ‘Mijn man is muzikant’ en daarna noemde ze mijn naam.”

En zo hebben jullie elkaar weer ontmoet. Het is zo onvoorspelbaar als de muziek.
Elke dag is ‘carpe diem’. Wat ik minder waardeer aan de moderne tijd is dat je op je verjaardag tweeduizend verjaardagswensen krijgt op Facebook. Niemand neemt meer de moeite om je op te bellen en je een fijne verjaardag te wensen. Het is hetzelfde met briefkaarten en brieven. Tegenwoordig hebben we e-mail. Het is niet alleen de boodschap, maar voor mij is het ook de waarde van het materiaal, het papier. Je weet dat iemand aan je denkt omdat hij papier pakt, of een kaart koopt, deze beschrijft, een postzegel plakt en er later mee naar de brievenbus loopt. Ik weet het, ik word nu een beetje sentimenteel. Over twintig jaar bestaat de post misschien niet meer. Ik mis de postbode die schreeuwt: ‘Hé Rosario, ik heb post voor je!’ Of de krant die over het hek de tuin wordt ingegooid. Dat doen ze tegenwoordig niet meer. Ze leggen de krant netjes in je brievenbus.

Baal je van deze ontwikkelingen?
Laat ik het uitleggen met een voorbeeld. Vorig jaar heb ik een boek gekocht voor het kind van een van onze beste vrienden. De avonturen van Kapitein Nemo, het boek dat ik in mijn eigen jeugd verslonden heb. Ik gaf het boek aan de moeder van het kind, ze keek me afkeurend aan en vroeg me: ‘Wat geef je aan mijn zoon? Hij leest alleen maar ebooks!’ Ik kan er niet over uit. Als een kind van acht jaar al geen contact meer heeft met boeken, waar gaan we dan heen? Ik wens mezelf daarin niet aan te passen aan de moderne tijd. Goddank bestaan er nog boeken en hebben we nog steeds langspeelplaten en cd’s. Dat is ook zoiets. Journalisten weigeren mijn cd’s. Ze willen dat ik ze een link toestuur. Misschien balen ze ervan dat ze vijftig kilo aan cd’s mee moeten nemen het vliegtuig in, maar hoe deden ze dat dan twintig jaar geleden? Je nam die cd’s of lp’s gewoon mee toch?

Rosario-Bonaccorso-Quartet-Roma-Foto-Luca-Di-Varmo Rosario Bonaccorso's handpalm: liefde en muziek
Het Rosario Bonaccorso Quartet met Alessandro Paternesi (drums), Rosario Bonaccorso (contrabas), Dino Rubino (trompet) en Enrico Zanissi (piano). Foto Luca Di Varmo

Het geluid van cd’s en lp’s is door de bank genomen nog steeds beter dan het geluid van streaming media.
Zeker. Ik vind dat je alles moet kunnen horen. De vibraties, de snaren, de ademhaling. Je kent het prachtige album van Bill Evans met Scott Lafaro (Live at the Village Vanguard)? Je hoort pling pleng, ploeg, een glas wijn dat op tafel wordt gezet, je hoort de snuivende ademhaling van Scott Lafaro als de muziek door het rumoer uit de zaal wordt verstoord.

Rosario, je hebt een nieuw album uitgebracht. Hoe is het ontstaan?
Vorig jaar was ik aan het nadenken over een nieuw project. Ik realiseerde me dat ik zestig jaar zou worden en dacht na over de wijze waarop ik dit zou kunnen vieren. Ik leef nog dankzij het lot dat mij welgezind was. Ik verloor een broer toen ik 35 was. Zijn dood heeft me wel aan het denken gezet. Mijn vorige album Viaggiando werd vertolkt door een ander kwartet. Dat was prachtig, maar ik zocht nu naar een andere manier om mijn melodieën in te verpakken. Ik vroeg voor de laatste twee albums Fabrizio Bosso, een van de beste trompettisten in de wereld.

Hij maakt geen deel uit van je nieuwe kwartet, maar trompettist Dino Rubino wel.
Als ik wedergeboren zou worden, zou ik trompet spelen. Ik luisterde al eerder naar deze nieuwe stem, Dino, die in eerste instantie pianist is en vervolgens trompettist. Wat me raakt is dat hij geen virtuoos op de trompet is. Hij lijdt bij elke frasering. Het is niet de geweldige, atletische manier van Bosso, die alles kan spelen. Dino is echt menselijk in zijn aanpak, zijn emotionaliteit en zijn gevoel van spelen. Hij is bang om te falen. Enkele decennia terug speelde ik met Chet Baker. Hij gaf me het idee dat de muziek die hij speelde net was ontstaan, net aan zijn brein was ontsproten. Heel kenmerkend. En toen ik Dino voor het eerst op trompet hoorde, wist ik dat ik hem moest nemen. Dino wil de muziek niet van het blad aflezen, hij speelt op gehoor. Hij wil de melodie begrijpen en doorgronden. Hij luistert naar de akkoorden, net zoals ik.

Voel je je met hem verbonden?
Alles is verbonden. We zijn allemaal verbonden met het moment. Het gevoel van het moment en wat ik deed nadat ik deze nummers componeerde was dat ik op zoek ging naar mensen die bij mijn emoties zouden passen. Ik hou van zingen en ik hou van melodie. De schoonheid schuilt in de eenvoud en dat raakt me.

Hoe kwam je er op pianist Enrico Zanisi op te nemen in je kwartet?
Ik ontmoette Zanisi op zijn twintigste. Collega Steve Swallow en ik waren in Sicilië om een ​masterclass te doen. ’s Avonds gingen we naar een concert in een klein dorp en daar hoorden we in de verte een pianist spelen. We hadden allebei het idee dat het Brad Mehldau was. We gingen erheen en troffen een bleke jongeman achter de piano. Het bleek Enrico te zijn. En hij was zo innemend, zo delicaat. Vervolgens heb ik hem uitgenodigd voor mijn festival (Percfest in Ligurië, RA). Daar hebben we enkele composities van mij gespeeld en dat verliep uitstekend. Mijn laatste kwartetlid is drummer Alessandro Paternesi. Een energieke man met een enorm gevoel voor dynamiek. Ik heb het geluk dat ik altijd met goede drummers heb mogen spelen. Elvin Jones, Roberto Gatto, Adam Nussbaum, Vernel Fournier…

Rosario-Bonaccorso-and-flying-hands-Foto-Roberto-Cifarelli Rosario Bonaccorso's handpalm: liefde en muziek
Rosario Bonaccorso. Foto Roberto Cifarelli

Dat lijkt me heel prettig voor een contrabassist.
Ja! Ik hoorde Paternesi en ik dacht: deze man is echt goed. Hij speelde met mijn collega Enzo Pietropaoli en hij speelde op mijn festival. Ik heb ze bij elkaar gezet en vervolgens hebben we het album opgenomen in Udine in dezelfde studio waar Manfred Eicher heeft opgenomen. Het is lastig om het basgeluid goed op plaat te zetten. Daarvoor heb je in elk geval een uitstekende microfoon nodig. Dat was zelfs een zware opgave voor Rudy van Gelder in de tijd van Miles Davis.

Je bent kritisch wat betreft de opnamen. Wanneer ben je tevreden over de muziek?
Veel jonge basspelers spelen veel, maar ze realiseren zich niet dat in sommige gevallen een enkele noot voldoende is. We hebben zes ballads op plaat gezet. De muziek is beheerst. We hebben de eerste dag al vier ballads in een opname vastgelegd. Het was de geur, het geluid, de frisheid van de eerste dag… We moeten dezelfde inspiratie voelen, dezelfde atmosfeer ademen. Ik ben niet bezig met de solo’s. Ik ben een componist. Het gaat me om de boodschap. Een van de nummers op mijn laatste album, Aqua Qua Litra, gaat over het leven, het water dat door de vingers sijpelt. Wat in de handpalm overblijft is liefde en muziek. En beide zijn voor mij belangrijk.

Want je kunt waarderen wat er over is?
De jaren zijn weg, maar ik kan nog genieten van al die mooie dingen waar ik veel om geef. Neem de compositie Duccidu. Deze gaat over een droom waarin ik vecht met een vriend die ik vanaf mijn jeugd ken. Een echte vriend vertelt je in je gezicht dat je een lul bent. Dat is vriendschap. Als vrienden van je houden, kunnen ze je vertellen dat je een fout maakt. Deze wisselwerking heb ik op plaat proberen te zetten. Interactie met de trompet. Hij kopieert mij, ik kopieer hem. En ook Tango For Pablo gaat over het leven. Pablo Neruda redde mijn leven! Een tijdje terug was ik op zoek naar zijn biografie Ik beken, ik heb geleefd. Ik vroeg mijn zus, die bij me in de auto zat, het boek voor me te zoeken in de bibliotheek. Ze liep de bibliotheek in, terwijl ik in de geparkeerde auto achterbleef. Twintig minuten stapte ik uit de auto. Toen belde mijn zus mij en zei dat ze het boek gevonden had. Vervolgens zette ik een stap opzij en op dat moment kwam er een ​​auto met 100 km per uur aangesneld en ramde mijn auto. Als ik erin was blijven zitten, zou ik nu dood zijn.

Het leven is ondenkbaar zonder muziek. Hoe zit het met de toekomst van de jazzmuziek, de muziekeducatie?
We moeten ons realiseren dat het zelden voorkomt dat er een talent opstaat zoals Charlie Parker of John Coltrane. Het muziekonderwijs van nu is van een uitstekende kwaliteit. Maar wat dan? De basis en de techniek zijn belangrijk, maar naar mijn idee moet muziekeducatie vooral gericht zijn op het ontwikkelen van een eigen stem. Leer wat je kunt leren en begin vervolgens te spelen vanuit dat wat er in jezelf zit. En dat hoeft niet de hoofdrol te zijn. Ik heb geen ego wanneer ik speel. Ik ben als bassist gewoon onderdeel van de muziek.

Het muziekonderwijs is goed, maar dan kom ik op een ander punt. Er zijn zoveel uitstekende musici, maar er is geen markt voor jazzmuziek. Wat nu?
In Italië is er geen geld. Sterker nog: mensen moeten hier betalen om te spelen. In Italië vragen ze jonge muzikanten hun eigen publiek te regelen. Ze willen je alleen boeken als je kunt garanderen dat je de zaal vol krijgt. Dat is triest. Mensen die een naam hebben, zoals Enrico Rava en ik, krijgen meer dingen voor elkaar dan onze jongere en onbekende collega’s, omdat ze nog geen reputatie hebben opgebouwd. In andere landen is het anders. Neem de veelbelovende Oostenrijkse pianist David Helbock. De Oostenrijkse staat betaalt de onkosten voor zijn trips naar het buitenland. Er wordt in hem geïnvesteerd. Dit kan alleen omdat de overheid de muziek wil stimuleren en de muzikanten wil helpen.

Rosario-Bonaccorso-Quartet-at-Casa-del-Jazz-Roma-Foto-Adriano-Bellucci Rosario Bonaccorso's handpalm: liefde en muziek
Het Rosario Bonaccorso Quartet met Enrico Zanissi (piano), Dino Rubino (trompet), Rosario Bonaccorso (contrabas) en Alessandro Paternesi (drums). Foto Adriano Bellucci

Maar Rava en jij krijgen het in Italië dus wel voor elkaar. Wat is er in het verschiet?
Ik ga met mijn kwartet door Zwitserland en Oostenrijk op tournee. We hebben een lange tour gepland in december. Aankomend jaar zijn we waarschijnlijk wel onder de pannen. En ik schrijf intussen nieuwe muziek, want ik wil weer met mijn nieuwe kwartet opnemen. Tijdens onze concerten merkten we al vrij snel dat er veel muzikaal materiaal is en daar willen we allemaal mee aan de slag. Inmiddels zijn we steeds meer naar elkaar toe gegroeid. We worden beter en beter. Het is als tussen vrienden. In het begin is er sprake van sympathie. Maar na verloop van tijd lukt het om openhartig te zijn. Het contact wordt intenser. Ik weet niet wanneer ik het volgende album wil opnemen. Maar wellicht gaan we nog voor het einde van het jaar de studio in. Daarnaast heb ik een solo-album gepland voor contrabas en stem en op termijn wil ik nog een album met vocalisten uitbrengen.

Zo te horen staan er leuke dingen op stapel.
Ja. In het verleden gunde ik me geen tijd om dingen voor mezelf te doen, zoals componeren. Toen ik vijftig werd besloot ik het roer om te gooien. Op mijn 52e nam ik mijn eerste album op. Nog geen acht jaar later heb ik mijn vijfde uitgebracht. Ik hoop dat ik nog lang genoeg leef om al mijn muziek op plaat te kunnen zetten. Musici gaan nooit met pensioen, omdat ze van hun vak houden. Muziek is als zuurstof en dat is van levensbelang. Een musicus voelt zich thuis op het podium. Hij voelt de sfeer en hij creëert. En deze creatie, dag in dag uit, is waar het om draait!

ROBIN ARENDS

 

www.rosariobonaccorso.com

 

Vorig Artikel

Morris Kliphuis eerste gast nieuwe videoserie JazzNu

Volgend Artikel

Ella Fitzgerald rijgt twintig standards als juwelen aaneen

Geen Reactie

Laat een bericht achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *