Interviews

Hoe Martin Fondse windstreken in de hand heeft

In zijn unieke stijl van componeren en uitvoeren weerklinken alle windstreken en muziekgenres. Een gesprek met componist/bandleider Martin Fondse over de noeste arbeid van het componeren en het grote verlangen onderweg te zijn.

Na een derde lange dag Near East Up North repeteren, schuift Martin Fondse (1967) lichtelijk uitgeput aan tafel voor een interview. Dat de componist/bandleider het druk heeft, is nog zwak uitgedrukt. Vlak voor de repetities is hij met zijn groep teruggekomen uit Brazilië, waar ze gespeeld hebben met de daar immens populaire zanger/gitarist – en volgens Martin Fondse welhaast sjamaan – Lenine. Voor het project The bridge arrangeerde Fondse hits uit Lenine’s dertigjarige carrière, die uitgevoerd worden door het Martin Fondse Orchestra met Lenine zelf. Na twee jaar, waarin ze samen door Brazilië en Duitsland toerden, op het North Sea Jazz Festival en de Music Meeting speelden, was The bridge onlangs eindelijk ook in het Bimhuis te horen.

Martin-Fondse Hoe Martin Fondse windstreken in de hand heeft
Martin Fondse.

“Het Bimhuis is thuiskomen”, zegt Martin Fondse. “The Bridge is geïnspireerd door een brug in Lenine’s geboorteplaats Recife, die een replica is van een brug over de Amstel. Het gaat over culturen die elkaar ontmoeten en over een diep gevoel van saamhorigheid dat we delen wanneer we samen muziek maken. De intieme sfeer in het Bimhuis versterkt dat. De achtergrond van treinen en trams vol mensen onderweg naar vrienden en familie is een perfect levend decor voor The bridge.”

TRADITIES LATEN SAMENKOMEN

Martin Fondse wordt geprezen om vele kwaliteiten: zijn veelzijdigheid, uitgekiende instrumentatie, de lichtheid en humor in zijn composities – om er een paar te noemen. Hoewel hij in een paar kleinere groepen speelt als pianist is hij vooral bandleider en componist. Voor zijn Martin Fondse Orchestra initieert hij het ene na het andere project, zoals Rosefire, 4 Seasons in 1 Day en een programma met de Braziliaanse singer/songwriter Morais. Daarnaast arrangeert hij voor onder anderen Cristina Branco en schreef hij de muziek voor een tiental films.

Near East Up North ontstond uit de wens van bandlid Mete Erker om verschillende werelden te laten samenkomen. De tenorist, die even aanschuift bij het gesprek, vertelt hoe hij spelend met dat idee voor het eerst de Turkse kemençespeler Derya Türkan hoorde spelen. “Hij raakte meteen iets in mij. Derya speelt in de stijl van de late jaren zestig. Die bezieling, blues, spiritualiteit, daar wilde ik iets mee. Muzikaal ben ik geworteld in de jazz, maar ik ben ook half Turks. Ik was benieuwd wat je krijgt als je die verschillende invloeden toepast. Niet in de zin dat we in Derya’s traditie spelen, dat deel vertegenwoordigt hij zelf. Wij reageren vanuit ons perspectief op wat hij doet. Martins compositie is niet helemaal uitgeschreven. Het zijn meer klankwolken waar Derya Turkse melodieën doorheen speelt en op improviseert. Improvisatie is een belangrijk onderdeel van de Turkse muziektraditie. Ook voor ons is de compositie niet een voorgeschreven stuk muziek, maar meer een routebeschrijving. Ze is zo open dat alle muzikanten kunnen bijdragen vanuit hun eigen wereld.”

Mete-Erker Hoe Martin Fondse windstreken in de hand heeft
Mete Erker.

Martin Fondse laat jazzmusici kamermuziek spelen en klassieke musici improviseren. Daardoor weerklinken in zijn muziek klassiek, hedendaags, jazz en improvisatie uit alle windstreken. Tijdens concerten zie je de hokjes bijna omvallen. Ze worden getackeld door de muzikanten en meegenomen naar het doel. Zo wil Fondse het. “Ik wil muzikale tradities samen laten komen. Om dat te bereiken hanteer ik een open werkwijze waarin iedere muzikant feedback kan geven.” Niet dat iedereen helemaal zijn eigen gang kan gaan, haast hij zich te zeggen. “Ik geef de basis aan: de klankkleur, het timbre. Mensen bepalen vervolgens zelf hoe ze die spelen. Sommigen bedenken hun eigen melodielijnen. Ik hou wel de regie; ik geef aan wat er wel of niet inkomt.”

DE FREDDY MERCURY IN HEM

Martin Fondse groeide op in het Zeeuwse Tholen in een niet heel religieus, maar wel muzikaal gezin. “Mijn ouders zongen in het koor. Een barokkoor was het. Ik heb, misschien daardoor, ook een voorliefde voor die muziek. Bach, Monteverdi – het gaat over sferen. Die oude muziek heeft een openheid die jazz ook heeft.” Zelf wist hij al jong welk instrument hij mooi vond. “Als zesjarige liep ik regelmatig op woensdagmiddag bij de pianolerares in de buurt binnen. Dan kroop ik achter de piano en ging ik lekker zitten spelen. De pianolerares vond dat wel wat. Ze overtuigde mijn ouders ervan dat ik talent had en daarmee is het allemaal begonnen.”

Een paar jaar later raakte hij verslingerd aan Queen. “Ik had alle platen. Vooral de eerste vier heb ik grijsgedraaid. In die periode wilde ik worden als Freddy Mercury: iemand die piano speelt en zingt. Later verschoof die bewondering naar David Bowie.”

Wat opvalt aan Martin Fondse is dat hij – in tegenstelling tot zijn jeugdhelden of zijn generatiegenoten – tijdens concerten amper op de voorgrond treedt. Hij laat graag anderen schitteren: zijn bandleden of de solist rond wie een project is opgezet:. “Is dat zo?” reageert hij. “Toch hou ik er wel van om in de spotlights te staan. Er schuilt nog altijd wel een Freddy Mercury in mij. Met mijn spel wil ik toch wel laten zien: hier ben ik. Een mooi moment was toen ik met Lenine in Central Park in New York speelde. Hij was nog niet op het podium. Ik zit achter de piano, sla een eerste akkoord aan, ik kijk op en ik zie een grote banner: LENINE AND MARTIN FONDSE. En opeens dacht ik: jezus, dat ik hier nu sta voor een publiek van honderdduizend man. Wat gaaf om hier te zijn.”

Porgy Hoe Martin Fondse windstreken in de hand heeft
Martin Fondse tijdens de uitvoering van Near East Up North in Porgy en Bess Terneuzen.

NOESTE ARBEID

Zowat elk nieuw project betekent voor Martin Fondse dat hij nieuw werk gaat schrijven voor een nieuwe bezetting. Naast de musici van zijn eigen orkest werkt hij meestal samen met een solist – de afgelopen jaren waren dat onder anderen kemençespeler Derya Türkan, mezzosopraan Tania Kross, trompettist Eric Vloeimans en drummer Doudou N’Diaye Rose – en met een ensemble, zoals Asko|Schönberg, Matangi Quartet, Artvark. Het gaat dan niet om een verzameling nummers maar om een compositie van negentig minuten, en dat is best lang, geeft hij meteen toe. “Ik heb meestal geruime tijd last van het spreekwoordelijke witte doek. Als ik in zo’n periode andere liedjes hoor die prachtig in elkaar zitten, denk ik vaak: hoe moeilijk is het al niet om zoiets te schrijven. En dat is nog maar een singletje van drie minuten. Door dat soort gedachten hik ik nog meer aan tegen wat ik moet zien te produceren. Negentig minuten” – hij laat zijn hoofd in zijn hand vallen – “dat betekent dat ik dertig singletjes moet schrijven.”

Willen we echt weten hoe dat gaat, dertig singletjes schrijven? “Ik probeer in een concentratie te komen van waaruit ik kan creëren. Ik heb een fijne werkruimte, een stille studio. Daar ga ik dan naartoe. En dan rommel ik wat: de vaas met bloemen verschuiven, papier rechtleggen, computer klaarzetten, nog maar eens een kop thee maken.”

Asko Hoe Martin Fondse windstreken in de hand heeft
Martin Fondse dirigeert Near East Up North in het Amsterdamse Muziekgebouw aan ’t IJ.

In de voorfase van het componeren heeft Martin Fondse vooral last van zijn demonen. Gewoon aan tafel gaan zitten schrijven is er niet bij. “Zodra ik er echt voor ga zitten, krijg ik in mijn hoofd iedereen langs: mijn vader, mijn leraar van de middelbare school, mijn vriendin – ze vinden het allemaal slecht wat ik maak. Ik moet iets bedenken dat beter is dan Stravinsky ooit heeft geschreven. Vorige keer is het aardig gelukt, hoor ik een stemmetje dan zeggen, maar dat gaat deze keer niet meer lukken.” Elke keer moet hij door die fase heen zien te komen. Een truc om hem te omzeilen is er niet.

Het kan een paar weken duren voordat er iets ontstaat. Hij maakt aantekeningen, zinnetjes, motiefjes en ook al leidt het nergens toe, hij bewaart alles. Want hij weet: wat vandaag niets is, kan volgende week, als je er met een frisse blik tegenaan kijkt, toch een eerste aanknopingspunt zijn. “Hé, dat is een leuk motiefje.” En dan begint het. Vanuit dat eerste idee schrijft hij vijf blaadjes vol. En dan opeens kan er een, zij het rudimentair, schema gemaakt worden. “Heb je een blaadje?”

Vijf punten en vier strepen. Dat was zijn eerste opzet voor Karavansarai, dat uit negen delen bestaat: de vier stukken Near, East, Up en North afgewisseld met vijf ontmoetingen, geïnspireerd op karavanserais: rustplaatsen waar nomaden uit alle windstreken elkaar tegenkomen. “En als ik dan wat ideeën en zo’n schema heb, maar er nog geen noot op papier staat, dan zeg ik tegen mezelf: om los te komen schrijf je een kort stukje voor piano. Daarmee komt het tot leven. Dan word ik heel blij. Dan staat de eerste punt op het witte doek en dan komt de rest vanzelf. Door de jaren heen heb ik geleerd dat ik daarop kan vertrouwen.”

martin2 Hoe Martin Fondse windstreken in de hand heeft
Martin Fondse.

VERLANGEN NAAR HET KLEINE

Altijd is Martin Fondse iemand geweest die weg wilde. Een jongetje dat vaak niet op tijd thuiskwam omdat hij weer eens een onbekende weg in was geslagen, was blijven hangen bij een nieuw vriendje of bij een etalage met een Adidasvoetbal van echt leder. Eigenlijk is hij wat dat betreft op zijn 48e nog geen steek veranderd. “Ik ben een luxe soort nomade. Ik hou ervan om onderweg te zijn naar nieuwe plekken. Ik ben altijd nieuwsgierig naar andere mensen en hun muziek. Er zijn nog zoveel muzikale wegen die ik nog niet heb gelopen en waar ik naar verlang.”

Over waar zijn nieuwe wegen hem naartoe zullen leiden, kan Martin Fondse nog niet veel zeggen. Oké, samenwerken met muzikant/componist/kunstenaar David Byrne staat hoog op zijn verlanglijstje. “David Byrne maakt muziektheater en opera en heeft ook als beeldend kunstenaar heel creatieve ideeën. Ik denk dat het ernaartoe gaat dat ik een opera ga schrijven. In 2016 staan daarvan al voorbodes op het programma: een muziektheaterproject en een kleine opera. Het kleine, daar wil ik nu naar terug.”

ANNE-MARIE VERVELDE
beeld GEMMA VAN DER HEYDEN

Vorig Artikel

Yellowjackets komt pas aan einde van concert op drift

Volgend Artikel

Hiromi bedwingt het beest dat piano heet

Geen Reactie

Laat een bericht achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *