Als het achtste Transition Festival in het Utrechtse TivoliVredenburg iets aantoonde, is het dat de jazztransitie bijna voltooid is. Wat ooit als dé jazzscene bekend stond, is zo goed als verdwenen. Het allerlaatste restant jazziconen – het duo van drummer Han Bennink en tenorsaxofonist Hans Dulfer – was alleen na een lange klim op de hoogste verdieping te zien. Zeventigplussers zijn inmiddels in de minderheid, en worden ruimschoots overtroffen door twintigplussers. Het van te voren uitverkochte festival bewees daarmee dat jazz weer cool is geworden.

Marc Ribot hield zich ook bezig met gedichten en spoken word.

De Noorse pianist Tord Gustavsen had tien jaar geleden bij de eerste Transition-editie het transitieproces al zijn eerste zetje gegeven. Als gelauwerd ECM-artiest speelt intimiteit en sensitiviteit nog steeds een overheersende rol in zijn post-Bill Evans-spel dat het brede scala van stilte voor de storm en donderende onweersbuiten omspant, en waarin zijn solo’s een weldadige rust uitstraalden voordat de storm daadwerkelijk in zes zalen losbarstte.

De bedachtzame muziek van Gustavsen was een contrast met het gelijktijdige optreden van het Brainteaser Orchestra van Tijn Wybenga, een van de jongste en talentvolste componisten van de nieuwe jazz. Bij elk project past Wybenga zijn orkest aan, zoals bij dit nieuwe orkest Brainteaser waaraan een volledig strijkkwartet is toegevoegd. Ik hoorde daar een klein stukje van, dat minder toegankelijk dan zijn oudere werk leek, maar met tempowisselingen en modulaties wel heel spannend was. Zijn orkest heeft de transitie naar Gen Z afgerond. Deze Zoomers behoren tot de meest talentvolle generatie van de laatste decennia, zoals veel van deze muzikanten later die dag in andere groepen lieten horen.

Tord Gustavson tekende voor intimiteit en sensitiviteit en kwam zodoende uit bij bedachtzame muziek.

Pianist Gonzalo Rubalcaba is met zijn 61 jaar een oudere man te noemen en inmiddels voor de hipsters een legende om tegenop te zien. Er waren dit jaar zes duo-optredens, maar hij was de enige die in de grote zaal speelde. Het was dan ook een bijzonder tweetal, de Cubaanse pianist met de Braziliaanse Hamilton de Holanda, die op zijn zelf ontwikkelde bandolim speelde. 

De bandolim is eigenlijk een mandoline met twee extra snaren, waarop hij met een onwaarschijnlijk technisch kunnen fenomenaal speelde. De snerpende mandolinenoten vlogen als spervuur om de oren. De piano, evenzeer grandioos bespeeld, vulde het gillende keukenmeidengeluid van de bandolim aan door er lage pianonoten onder te leggen. De aanvulling van Hamilton bij de solo’s van Rubalcaba vond ik minder geslaagd. Het warme geluid van de piano werd er door de bandolim die er doorheen snerpte niet beter van, maar daar dachten veel luisteraars anders over.

Hamilton de Holanda speelde op de bandolim met een onwaarschijnlijk technisch kunnen.

Terug naar de transitie is er momenteel zoveel jong talent, dat ze bij Transition nauwelijks weten hoe ze dat allemaal kwijt kunnen. Op de begane grond bevindt zich de gezelligste bar van deze muziektempel. Een perfecte plek om met je vrienden even te chillen als je te veel muziek in je hoofd hebt, maar hij is daardoor minder geschikt om er boven het caféniveau uitstijgende jazz naast te zetten. 

Dat gebeurde wel, zodat het bij veel bezoekers niet doordrong dat het KRSIX, ongetwijfeld de afkorting voor Kasper Rietkerk Sextet, een groep was met een bijzonder geluid. Een band met namen die weinigen iets zeggen, terwijl de palmares van saxofonist en componist Rietkerk wel degelijk rijkelijk gevuld is met tv- en radiowerk.

Alessandro Fongaro’s groep Pietre is inmiddels een erkende topgroep van dertigplussers, die met uitzondering van Schilderink in het buitenland zijn geboren en zich in Nederland hebben genesteld. Hun composities zijn toegankelijk, lijken eenvoudig maar zijn complex. De toegankelijkheid is ook te danken aan drummer Sun-Mi Hong, die altijd bescheiden en zelden explosief drummend, een oneindige hoeveelheid ritmische variaties in haar tas heeft, waarmee ze de groep strak aan zich bindt en van brandstof voorziet. 

Pietre met Nicolò Ricci, Jesse Schilderink, Alessandro Fongaro en Sun-Mi Hong.

Verrassingen waren er genoeg, al was het maar om een zaal in te stappen en een onbekend kwintet te horen dat in het programmaboekje niet was te vinden. Zo stond er een saxofonist die met een fluitiste mooie muziek speelde. Bij navraag bleek het de Duitse tenorsaxofonist Jakob Manz te zijn. Hier is hij nog onbekend, maar aan de andere kant van de grens wordt deze twintigplusser en saxofonist uit de ACT-stal, een natuurtalent genoemd. 

Er zijn groepen die je noodgedwongen mist en waar je met een beetje geluk nog net een laatste nummer van kan horen. Wat deze muziek inhoudt is dan moeilijk in te schatten, maar het is wel duidelijk of we al dan niet met een talent te maken hebben. 

Zo’n talent dat we in de gaten moeten houden is pianiste Shuteen Erdenebaatar. Ik ging er uit nieuwsgierigheid naar toe omdat ik afgezien van boventoonzangers niet eerder een jazzpianist uit Mongolië hoorde. Shuteen studeerde na haar klassieke opleiding in eigen land, jazz aan het conservatorium van München en woont tegenwoordig in Berlijn. In haar laatste nummer hoorde ik een pianist met een waanzinnig mooi toucher en een lichtvoetige swing. Zij, net als tenorsaxofonist Jakob Manz, verdienen het om zo snel mogelijk terug te komen op de Nederlandse jazzpodia.

Ava Mendoza gaf Marc Ribot tegengas en samen produceerden zij maximale minimale muziek.

Het gevoel van een nieuwe ontdekking was er niet bij bassiste Rosa Brunello. Zij komt uit Italië en heeft een voor wijnliefhebbers veelbelovende achternaam. Die naam maakte ze niet waar met haar onopvallende basspel. Het bezoek aan haar groep was vooral de moeite waard vanwege de hier nog vrij onbekende Brits-Bahreinse trompettiste Yazz Ahmed. Met één been in het Midden-Oosten en het andere in Groot-Brittannië verbindt zij Arabische muziek met jazz. Haar heldere geluid op trompet mengt ze met elektronica, loops en stemmen. De vraag is of zij slechts een gast was in de groep van Brunello, of dat de muziek de hare was, met begeleiding van het trio. Ik vermoed het laatste.

TivoliVredenburg was uitverkocht, maar niet op een manier dat je geen zaal in kon komen. De organisatie was perfect. De concerten begonnen en eindigden op tijd, je kon niet altijd zitten maar je kwam overal in. Behalve bij Kika Sprangers Large Ensemble. Daarvoor was de belangstelling zo groot dat niet iedereen in de Hertz-zaal paste. Zo hoorde ik het optreden wel, maar kon er niets van zien. Desondanks was te horen dat dit een buitengewoon goed concert was met uitstekende composities van Sprangers, die een grote groep met vier als collectief instrument klinkende zangeressen, had ingezet. De Hertz was hoe dan ook de zaal met de interessantste muziek. 

Marquis Hill wekte door zijn spel gelijkenis op met vakbroeder Kenny Dorham.

Voorafgaand aan Sprangers was gitarist Marc Ribot te horen. Toen ik de zaal inkwam speelde Ribot geen of nauwelijks gitaar en hield hij zich bezig met gedichten en spoken word over geesten. Gitariste Ava Mendoza, die ik op gehoor verwarde met Ribot op zijn best, was een reden om te blijven. Kennelijk was spoken word een soort intermezzo want daarna gingen de remmen eraf. 

Zowel Ribot als Mendoza trokken alle registers open en lieten overbodige jazzconventies los. Voor drummer Chad Taylor leek de oorlog uitgebroken. Nooit hoorde ik iemand harder drummen, met knallen die insloegen als swingende granaten. Ribot en Mendoza maakten met gekmakende herhalingen maximale minimale muziek, die als een waterval over je heen kwam en je meesleurde naar hun wereld. Beter kon het niet meer worden.

Zelfs trompettist Marquis Hill kon daar niet tegenop. Zonder Ribot zou hij zeker indruk hebben gemaakt, maar na Ribot leek hij, volkomen onterecht, slappe hap ondanks de aanwezigheid van pianist Mike King die als een dolle tekeer ging. Niet gek dat Hill pas op waarde was te schatten toen hij ver van Ribot verwijderd, een schitterende ballad speelde, waarin de gelijkenis met trompettist Kenny Dorham opviel, en zijn compositie aan het einde een al net zo opvallende gelijkenis vertoonde met Benny Golsons I Remember Clifford.

Gonzalo Rubalcaba is met zijn 61 levensjaren voor de hipsters een legende om tegenop te zien.

Teleurstellingen? Ja, die waren er ook. Van Emma-Jean Thackray had ik me veel voorgesteld. Zij wordt geroemd als baanbrekend componist, producer, zanger, multi-instrumentalist en DJ, maar ik hoorde daar bitter weinig van terug. Haar funky jazz en zang zijn niet moeilijk in te delen. Het is een voor de hand liggend mengsel van pop, protestsongs en jazz. Van alles wat, met vooral pop dat de dienst uitmaakt. Op North Sea Jazz zou ze de grootste zaal vol krijgen, maar het Utrechtse volk liet haar een beetje links liggen.

Gitarist Reinier Baas en altsaxofonist Ben van Gelder waren daarentegen van de buitencategorie. Het is of ze per maand beter worden en inmiddels, het zat er al tijdje in, hebben ze wereldniveau bereikt. Van Gelder heeft een vol rond geluid, ver weg van elk effectbejag. De laatste restjes Parker zijn verdwenen en Ornette Coleman speelt ook geen rol. Wel Lee Konitz wiens geluid doorklinkt in kleine glasheldere verhaaltjes met venijnige randjes. 

Het concert van Emma-Jean Thackeray viel tegen door haar voor de hand liggend mengsel van pop, jazz en protestsongs.

Reinier Baas heeft een andere weg bewandeld, die ook hem als instrumentalist een unieke plek in de jazzgemeenschap heeft opgeleverd. Net zo helder en doorzichtig vertelt hij zijn verhaal in een stijl die de jazzgitaarhistorie in zich heeft opgezogen en er op een eigen manier uitkomt. 

Dat de Amerikaanse topdrummer Jeff Ballard deel uitmaakte van het kwartet was mooi, maar voor Baas en Van Gelder niet eens nodig om hun eigen kwaliteiten te ontplooien. Hun zelfvertrouwen bleek ook uit de moed om te eindigen met twee standards: de zelden gespeelde Thelonious Monk-compositie Work en George Gershwins EmbraceableYou. Ook die werden geen herhalingsoefening, maar een toevoeging aan het rijke Great American Songbook.