Eric van der Westen (rondetijd 5.23,20)
Stel: je bent een jonge zestiger als je jezelf gaat afvragen: hoe moet ik verder? Als jazzmusicus is het sappelen en dan nog is er nauwelijks geld te verdienen. Je kunt amusementsmuziek gaan spelen, maar als je je hele leven een waardige dienaar bent geweest van jazzmuziek in al haar ontwikkelingen, dan pas je daarvoor. Dat deed Eric van der Westen dan ook. Als begenadigd contrabassist, componist, bandleider en festivalorganisator heeft hij zijn sporen nationaal en internationaal ruimschoots verdiend. Maar zijn maatschappelijke leven is danig veranderd nu hij samen met een vriend 3D-scan runt, een bedrijf dat vastgoed scant en virtuele presentaties verzorgt. Een aanvulling op zijn muzikale leven, dat ook gewoon overeind blijft. In deze aflevering van de JAZZ-tafette suggereert hij onbewust en zonder een greintje zelfoverschatting de muzikale waarde van het leven dat achter hem ligt, met de woorden: “Als ik de deur uitga, neem ik altijd mijn geschiedenis met mij mee.” En dat zijn muzikale leven zich nog ontwikkelt zoals het altijd heeft gedaan, zit besloten in de volgende uitspraak: “ De ontwikkeling van de ontwikkeling juich ik toe.” Voilà, een muzikale globetrotter die het aanzien van de Nederlandse jazz danig heeft beïnvloed en dat zeker zal blijven doen.
Waar ben je op dit moment mee bezig?
Sinds corona ben ik een stuk minder met muziek bezig. Ik ben elders geld gaan zoeken. Ik wilde niet terecht komen in de amusementshoek en ook geen concessies doen aan mijn muziek. Het wordt steeds moeilijker in ons vakgebied, omdat jazz een kleine niche is. Samen met mijn vriend Bert van Vlijmen zijn we het bedrijf 3D-scan begonnen. Hij komt uit de fotografie, ik ben in de ban van AI. In 2020 groeide bij mij het besef dat ik mijn toekomst anders moest aanvliegen. Ik organiseerde het festival Better Get Hit, maar dat mislukte. Ik dacht: ik moet of op dezelfde manier voortgaan of iets heel anders gaan aanpakken. Dat werd 3D-scan. We scannen gebouwen op 360˚. We werken met pointcloud (een soort puntjeswolk, rvdh) , waarbij miljoenen deeltjes door een scanner gaan. Architecten kunnen daar alle bouwplannen mee maken die ze willen. Vorig jaar hebben we de Audifabriek in Brussel ‘gedaan’. Alles wat de fabriek betreft hebben we in beeld gebracht, niet alleen de gebouwen, maar ook de productielijnen. Letterlijk alles wat er in en om het gebouw zit. De fabriek is daarna uit elkaar gehaald en verscheept naar China. Aan de hand van onze data is de fabriek daar weer opgebouwd.
De principes voor 3d-scannen zijn in wezen dezelfde als in de muziek. Ik ben nu 62 jaar, ben erg ziek geweest en muziek spelen wordt daardoor erg zwaar. In de muziek heb ik alles gedaan, ik heb ook elk continent aangedaan. Ik vond de balans niet meer. Met Bart sprak ik af om eens rond te kijken in de high-techwereld. Vorig jaar hebben we een BV opgericht, de zaken gaan goed, er is veel vraag naar onze sector. Ik kan niet verkopen, Bart wel. Hij doet de sales, ik de organisatie. We hebben nu iets heel speciaals gecreëerd.
Welke herinneringen aan je carrière zijn je het dierbaarst?
Een concert met het Paul van Kemenade Sextet tijdens de Klap op de Vuurpijl in Bellevue Amsterdam. Dat was voor de eerste keer dat we met iets bijzonders bezig waren, was een geweldige ervaring. Bijzonder was ook toen ik in Carnegie Hall met mijn contrabas een trap opging en er een foto hing, waarop te zien was dat Frank Sinatra dezelfde trap op liep.
Waarom doe je graag wat je doet?
Ik kan niet anders. Ik kan alleen maar zo spelen, energie geven en mijn liefde voor muziek uitdragen. Zo wil ik het, anders doe ik het niet.
Wanneer is je passie voor jazz ontstaan?
Ik ben opgegroeid met pop, hardrock en new wave. Toen een psychologiestudie mislukte, ging ik naar de muziekschool in Tilburg, waar ik les kreeg van Steve Clover en Ron van Rossum. Steve zei: ‘Koop een plaat waar je herinneringen bij hebt’. Ik kocht er twee: Blue Sphere van Thelonious Monk en Charles Mingus Live met Eric Dolphy. Fantastisch! Zoveel rauwe energie! Toen kocht ik Ascension van John Coltrane.
Van welke ontwikkeling in de jazzgeschiedenis had je onderdeel willen zijn?
De periode naar die van de free jazz toe. Toen in 1959 Kind of Blue uitkwam, Ahum van Charles Mingus, de Jazz Crusaders. Er was toen zoveel creatieve muziek.
Wat is het bizarste dat je ooit mee hebt gemaakt tijdens een concert?
Een concert met de Turkse zangeres Sezen Aksu aan de Bosporus. Het publiek zong zo hard dat wij elkaar niet konden horen. Er waren vijf-, zesduizend mensen. Ze bleven maar doorgaan, wij zijn toen maar opgestapt.
Waar vind je inspiratie?
Veel bij beeld, bij films, bepaalde moods en bij mijn grote helden John Coltrane, Charles Mingus, Charlie Haden, Carla Bley, Pharoah Sanders.
Wat is het spannendste dat je ooit hebt ondernomen?
Een concert rond 1998 met pre-Anatolische muziek met Uğur Işık en de gebroeders Yarkin. Microtonaal spelen is de grootste uitdaging waar ik ooit tegen aan liep.
Welk muziekstuk of album heeft voor jou een speciale betekenis?
Ahum van Mingus. Ik ben er zó door geïnspireerd en nog steeds trouwens. Geldt ook voor A Love Supreme van Coltrane.
Wat neem je altijd met je mee?
Als ik ga spelen een set reservesnaren. En in het algemeen mijn geschiedenis. Die bepaalt voor een groot gedeelte hoe je reageert op veranderingen.
Welke actualiteit heeft je aandacht?
In algemene zin de verrechtsing van de wereld. De manier waarop Trump zich manifesteert en ook hoe de Verenigde Staten en Israël oorlog voeren.
Wie is je grote voorbeeld buiten de jazz?
Pablo Picasso. Hij heeft me ontzettend bevrijd, me heel anders leren denken over mijn eigen creativiteit. Als je weet wat je gaat doen, waarom ga je het dan nog doen? Als Picasso zijn atelier binnen ging deed hij zijn sloffen uit en liet daarmee ook zijn bewustzijn achter om vrijuit te kunnen creëren. Gary Peacock zei iets van dezelfde orde: speel niet als een emmer die overloopt maar laat de muziek de emmer vullen. Begin als een lege emmer die in het creatieproces langzaam vol loopt. De over kritische attitude van kunstenaars is hun eigen grootste valkuil en een aanzet tot een blokkade van het creëren zelf. Picasso heeft me veel vrijheid gegeven, in de zin dat ik met mijn eigen beperkingen kon gaan dealen.
Wat intrigeert je aan je instrument?
De klank. Ik blijf verliefd als ik noten op de juiste manier uit mijn bas haal. Die klank is voor mij alles.
Wat heb je geleerd van je muziek?
Mezelf accepteren wie ik ben. De muziek houdt je altijd een spiegel voor. Het is een heel lang proces waar ik voor sta en ook verantwoordelijkheid voor neem.
Wat wilde je vroeger altijd worden?
Rockgitarist. Toen ik vanaf mijn achtste jaar platen hoorde van mijn oudere broer, wilde ik Ritchie Blackmore worden.
Wanneer ervaar je de vrijheid om te falen?
Als de omstandigheden dat vragen. Als ik met muzikanten speel die luisteren wat ik doe, dan bestaan fouten niet meer.
Welke ontwikkeling in de jazz juich je toe?
Jazz ontwikkelt zich continu. De ontwikkeling van de ontwikkeling juich ik toe. Elke keer worden er vernieuwingen gemaakt. Ook als iemand iets doet met oude dingen, waardeer ik dat.
Met wie werk je graag samen?
Met Martin Fondse, Dirk-Peter Kölsch, het Paul van Kemenade Quintet en het duo met Aron Raams. Blijft een heel bijzonder ding. Geldt ook voor het trio met Ed Verhoeff en Angelo Verploegen.
Welke droom/dromen liggen nog voor je?
Dat ik de verbouwing van mijn huis in Frankrijk eindelijk af krijg. En onderhand genoeg geld heb om platen te maken met alle ideeën die ik heb. Bijvoorbeeld qua bezetting. Of werk voor groot ensemble maken en uitvoeren.
Aan wie geef je het Jazz-tafette stokje door?
Aan Martin Fondse. Voor mij is hij de beste componist die Nederland kent. Naast een ontzettend warme en lieve vriend, heeft hij een ongelooflijke werk-attitude en is daarmee voor mij een enorme inspiratiebron. Ik wou dat ik een aantal ideeën van hem, zelf had.




