Marlowe Morris - Vergeten architect uit de swingperiode
In deze ‘Discografische notities’ halen we een vergeten jazzman onder het stof vandaan: Marlowe Morris. Onder jazzkenners is Morris een cultfiguur, veel gespeeld, weinig van bewaard. Hij begon als danser, werd pianist en eindigde als Hammond-orgelist. Opnamen waarop Marlowe te horen is zijn in aantal beperkt: de film ‘Jammin’ the blues’, een live-sessie, een studioplaat onder eigen naam en veel verspreide sessies als ‘sideman’. De invloedrijke Amerikaanse jazzhistoricus Frank Driggs (1930-2011), medeschrijver van ‘Black Beauty, White Heat’ en bekend om zijn enorm archief jazzfoto’s en opnamen, maakte veertig jaar geleden een lijstje van zijn favoriete pianisten: Jay McShann, Thelonious Monk, Herman Chittison en, inderdaad, Marlowe Morris.
Marlowe Morris werd geboren op 16 mei 1915 in de Bronx (New York City). Hij was de neef van cornettist en orkestleider Thomas Morris en bovendien een verre verwant van pianist Fats Waller (1904-1943), van wie hij piano leerde (voetnoot 1) . Volgens stride-pianist Joe Turner leerde Marlowe het opvallend linkerhandgebruik van hem: “I thought both Marlowe Morris and Teddy Wilson how to use their left hand!” Als Marlowe Morris ontkende dat hij les kreeg van Joe Turner, kwam dat volgens Turner voort uit een ‘drinking situation’. Tom Tilghman hield de Hollywood Bar open aan 7th Avenue in Harlem (NY) met op maandagavond pianosessies: ‘Marlowe Morris was one of the closest in terms of style to Art Tatum in those days’.
In zijn jeugd trad Morris op als danser. Later leerde hij piano, drums, harmonica en ukelele spelen. Zijn beroepsloopbaan begon van 1935 tot 1937 bij trompettist June Clark (1900-1963). Morris speelde waar werk was en wisselde vaak van clubs en orkestleiders. In 1939 werd Clark wegens tuberculose opgenomen in het Otisville Sanatorium. Clark besefte dat hij niet kon wedijveren met Louis Armstrong, hij werd zijn tourmanager en later de rechterhand van bokslegende Sugar Ray Robinson.
In 1939 is Marlowe losse medewerker bij de Spirits of Rhythm, met figuren als Teddy Bunn en Leo Watson, in de Flamingo Club in Boston, in de Herock Club in New York (niet te verwarren met de vrouwelijke bigband The Sweethearts of Rhythm).
Nog in vredestijd werd Morris op 16 oktober 1940 uitgeloot voor militaire dienst. Die begon op 10 maart 1941 tot 10 februari 1942. Hij woonde toen 236 West 130th Street,NY. Hij had werk in de 721 Club, Lucky’s Rendezvous, later als Nick’s Club aan de St. Nicholas Avenue, NY.
(1) 21 augustus 1940 - Lionel Hampton Chronogical 1940-1941 (Classics 624).
Het album heeft vier nummers met vibrafonist Hampton met een Spirits-samenstelling rond Teddy Bunn, Douglas Daniels, Hayes Alvis, Kaiser Marshall en Marlowe Morris. Het zijn studio-opnamen voor Victor in New York: Charlie was a sailor en Martin on every block (Victor 26739), Pig foot sonata en Just for laffs (Victor 26793). Twijfelaars beweren dat de pianist Milt Buckner zou kunnen zijn en niet Morris.
John Chilton vermeldt in zijn boek ‘Who’s Who of Jazz’ dat Morris in 1940 bij pianist-slagwerker Eric Henry in dienst is. Henry was wellicht een lokale orkestleider zonder archiefspoor. Morris’ faam als begeleider van saxofonisten groeit inmiddels gestaag.
Uit diezelfde jaren bestaat een foto van Marlowe Morris in Kelly’s Stables (zie de foto boven dit artikel), genoemd naar banjoïst en clubeigenaar Bert Kelly (1882-1968). In het najaar van 1939 leidde saxofonist Coleman Hawkins een formatie in Kelly’s Stables aan de 52nd Street. Hawkins was in 1934 naar Parijs en Nederland gekomen. In de zomer van 1939 keerde hij terug naar de VS. Op 11 oktober 1939 nam Hawkins voor RCA Victor zijn wereldberoemde Body and soul op. Morris werkte in de flexibele bezettingen van Coleman Hawkins en bleef bij hem tot in 1941. Helaas zijn de Hawkins’-sessies uit die periode niet volledig gecrediteerd per pianist.
Na zijn legerdienst wordt Morris veel gevraagd door anderen maar hij behoudt zijn een eigen trio. In 1942 werkt hij bij klarinettist en saxofonist Scoville 'Toby' Browne (1909-1994). Hierna bij
tenorsaxofonist Al Sears (1910-1990) in de New Yorkse Renaissance Ballroom. Zomer 1943 is hij op U.S.O.-tournee voor de Amerikaanse soldaten. De ‘United Service Organisations’ zorgden voor het moreel van Amerikaanse troepen tijdens Wereldoorlog II.
(2) 18 maart 1944 – Big Sid Catlett featuring Ben Webster
Vier nummers worden opgenomen in New York: Ben Webster, Marlowe Morris, John Simmons en drummer Sid Catlett. (Atlantic SD1617, Classics 974 als Sid Catlett 1944-1946, Properbox 37).
(3) 25 maart 1944 – Big Sid Catlett featuring Ben Webster
Zelfde musici voor enkele nummers op Classics 974. Ook als Ben Webster Quartet op Classics 1017. Met Perdido en I surrender dear.
(4) 16 mei 1944 – Sonny Greer and his Rextet
Rex Stewart (cornet), Lawrence Brown (trombone), Jimmy Hamilton (klarinet, tenorsax), Harry Carney (baritonsax), Marlowe Morris (piano), Teddy Walters (gitaar), Oscar Pettiford (bas), Sonny Greer (drums) en Brick Fleagle (arrangeur).
Tot oktober 1944 speelt Morris met Big Sid Catlett (1910-1951). Tijdens de zomer 1945 met trombonist Doc Wheeler (1910-2005), dan met violist Eddie South (1904-1962) .
(5) augustus 1944 – de film ‘Jammin’ the blues’ (voetnoot 2)
Begin 1946 gaat Morris spelen bij gitarist Tiny Grimes (1916-1989).
(6) 14 augustus 1946 – Tiny Grimes Swingtet featuring Trummy Young & John Hardee
Opname van vier nummers in de WOR-studios met Trummy Young (trombone), John Hardee (tenorsax), Marlowe Morris (piano), Tiny Grimes, Jimmy Butts (bas) en Eddie Nicholson (drums).
(Classics 5048, Blue Moon 6005, JazzArchives 159372).
Van 1947 tot 1948 kiest Morris voor een vast inkomen bij de Amerikaanse posterijen. In 1949 wordt hij opnieuw voltijds muzikant, nu meer als solist op Hammond-orgel. In de jaren veertig, vijftig en zestig resideert Marlowe in de bekende Harlem-clubs (New York): Minton's, Basie's, Small's. Het Marlowe Morris Trio met als frontman tenorsaxofonist Julian Dash (1916-1974) had een vaste stek in de Shalimar, Harlem (Dash is met Erskine Hawkins co-componist van Tuxedo Junction, populair gespeeld door Glenn Miller).
(7) januari 1953 – Paul Quinichette Quintet – New York, Fine Studio
Paul Quinichette (tenorsax), Morris (orgel), Jerome Darr, Freddie Green (gitaar), Gene Ramey (bas) en Les Erskine (drums) - (Vier nummers op Mercury 70138/70086, Fresh Sound 1150)
(8) 18 februari 1953 – Buck Clayton and the Marlowe Morris Trio – Jammin’ With Buck
Buck Clayton (trompet), Morris (orgel), Jerome Darr (gitaar), Les Erskine (drums) (Classics 1362).
(9) 25 september 1953 – Paul Quinichette Quartet
Paul Quinichette (tenorsax), Morris (orgel), Jerome Darr (gitaar), Jo Jones (drums). Op Decca met nummers als The heat’s off en The very thought of you (Fresh Sound 1150).
(10) 18 maart 1954 – The Du-Droppers
Junor Caleb Ginyard, Willie Ray, Harvey Ray, Bob Kornegay, Prentice Moreland (zang), met begeleiders Sam ‘The Man’ Taylor (tenorsax), Morris (orgel), Robert Berry (piano), N. ‘Riff’ Ruffin (gitaar), Johnny Williams (bas), Marty Wilson (drums) en Leroy Kirkland (leider) (Dr.Horse 805, Westside WESA 831).
(11) 6 mei 1954 – Bertice Reading – Leroy Kirkland Orchestra
Bertice Reading (zang) (voetnoot 3), Sam ‘The Man’ Taylor (tenorsax), Pinky Williams (baritonsax), Morris (orgel), Al Williams (piano), Mickey Baker (gitaar), Lloyd Trotman (bas), Panama Francis (drums), Leroy Kirkland (leider) - (Official 6003, WESA 831).
In november 1954 wordt Marlowe Morris genoemd in de kringen van gospelzangeres Sister Rosetta Tharpe met de Sy Oliver Singers en het Sammy Price trio. Op Decca 48328 zingt ze In Bethlehem en When was Jesus born. Behalve piano speelt er iemand orgel, Marlowe Morris?
(12) 22 oktober 1956 – A Night At Count Basie’s Lounge – Harlem, New York
Emmett Berry (trompet), Vic Dickenson (trombone), Marlowe Morris (orgel), Bobby Henderson (piano), pianist Count Basie op één nummer, Aaron Bell (bas), Bobby Donaldson (drums), Joe Williams (zang) - (Op 2-cd Joe Williams: Four Classic Albums, Avid 1389).
Tussen 1954 en 1957 speelt Morris orgel op sessies met Jimmy Rushing, uitgebracht op de verzameling His Complete Vanguard Recordings.
(13) 5 maart 1957 - Jimmy Rushing - If This Ain't The Blues, ook Listen To The Blues
Jimmy Rushing (zang), Emmett Berry (trompet), Vic Dickenson (trombone), Buddy Tate (tenorsax), Clarence Johnson (piano), Marlowe Morris (orgel), Roy Gaines (gitaar), Aaron Bell (bas), Jo Jones (drums) (Vanguard 662093).
(14) 18 juni 1959 – Big Joe Turner
Big Joe Turner (zang), Leon Cohen (altsax, tenorsax), King Curtis (tenorsax), Marlowe Morris (piano, orgel), Bill Suyker (gitaar), Abie Baker (bas), Stick Evans (drums), plus een achtergrondkoor (Atlantic 2034).
Hoewel Marlowe in de luwte musiceerde, kreeg hij toch erkenning door zijn plaat Play The Thing, waarmee hij in 1962 de ‘Prix du Disque de Jazz du Hot Club de France’ won:
(15) 29 juni 1961 – Marlowe Morris – Play The Thing – zijn enige opname als leider (drie sessies)!
Matthew Gee (trombone), Buddy Tate (tenorsax), Morris (orgel), Jo Jones (drums), Ray Barretto (bongo), met zanger John 'Mr.Soul' McArthur op Bad business baby, een favoriet voor bluesfans – de opnamen bestaan alleen op elpee Columbia CL 1819, niet op cd!
(16) 31 januari 1962 - Marlowe Morris Quintet
Zelfde als hiervoor, maar Gus Johnson (drums) vervangt Jo Jones.
(17) 8 februari 1962 - Marlowe Morris Sextet
Buck Clayton (trompet), Edmond Hall (klarinet), Buddy Tate (tenorsax), Marlowe Morris (orgel), Jo Jones (drums), Ray Barretto (bongo) - (Columbia 1819, CBS 62397).
In 2002 publiceerde Mosaic Records de Columbia Small Group Swing Sessions 1953-1962 met de Marlowe Morris sessies van 18 februari 1953, 29 juni 1961 en 8 februari 1962. Het is niet aantoonbaar dat Julian Dash de plaat opnam met Morris. Waarschijnlijk wilde Columbia voor de drie sessies het liefst beroep doen op hun vaste studio-saxofonist Buddy Tate (1913-2001).
(18) 16 augustus 1962 – Jingle Bell Jazz – Marlowe Morris Trio
Marlowe Morris (orgel), Jo Jones (drums), Ray Barretto (percussie). Eén nummer, Rockin’ around the Christmas tree, verschijnt op kerstverzamelplaten! (Columbia CS 8693)
In 1971 verdient Marlowe opnieuw zijn geld bij de New York Post Office. Al zijn werk tussen 1962 en 1971 is waarschijnlijk gedeeltelijk verloren, verspreid en ongecrediteerd.
Op 28 mei 1978 sterft Morris in Brooklyn. Een reden van zijn overlijden of de omstandigheden waarin zijn weinig of niet gedocumenteerd. Hij werd begraven op het Long Island National Cemetery, 2040 Wellwood Avenue, Farmingdale, NY 11735-1211, Plot Section Q Site 4242.
Voetnoot 1: Fats Waller
In de jaren dertig was Fats Waller een echte radioster en in 1932 was hij in Parijs. Hij bezocht nog eens Europa in de herfst van 1938. Op 11 september 1938 reisde hij van Harwick naar Vlissingen met een bewapende trein naar Hamburg en Kopenhagen. De oorlog was al aan het broeden. Wegens de anti-jazzsfeer werden geplande concerten in België en Nederland geannuleerd. Zo ook een concert in Antwerpen met het Dutch Dance Orchestra The Ramblers. Maar dit vereist een apart onderzoek inzake juiste plaats en datum.
Voetnoot 2: ‘Jammin’ the blues’
In de nacht van 2 augustus 1942 werd de jonge Mexicaan Jose Diaz (1919-1942) in Los Angeles dood aangetroffen op een picknickplaats met waterplas waar Mexicaanse Amerikanen bijeenkwamen. Zijn mysterieuze dood is de geschiedenis ingegaan als de ‘Sleepy Lagoon Murder’. De vindplaats werd genoemd naar een nummer gespeeld door trompettist Harry James, Sleepy Lagoon van 24 februari 1942 voor Columbia (Toots Thielemans vertolkte het nummer in najaar 1955).
Vanwege de moord werden 22 jonge mannen – van wie er 21 Mexicaan-Amerikaan waren – aangeklaagd. Uiteindelijk werden twaalf verdachten veroordeeld voor moord met voorbedachten rade. Via het Sleepy Lagoon Defense Fund werd geld ingezameld om in hoger beroep te gaan en de publieke opinie te mobiliseren door middel van voorlichtings- en publiciteitsprogramma's.
Impresario-platenproducent Norman Granz besloot een benefietconcert te organiseren voor het Sleepy Lagoon Defense Fund. Hij huurde in Los Angeles het Philharmonic Auditorium af. Op 2 juli 1944 bracht hij jazzmuzikanten samen voor een concert: Nat King Cole, Illinois Jacquet, J.J. Johnson, Jack McVea, Les Paul, Red Callender, Shorty Sherock en de broer van Lester, drummer Lee Young. Het bracht Lee Young en Granz op gedachten om een informele jazzsessie te filmen. De verfilming was in handen van de in Albanië geboren fotograaf Gjon Mili (1904-1984) samen met producer en jazzpromotor Norman Granz (1918-2001). Hoe die film tot stand kwam, is te vinden in ‘Norman Granz – The Man Who Used Jazz for Justice’, schrijver is Tad Hershorn, 470 pagina’s.
Gedurende vier dagen in augustus 1944 werd een groep zwarte All Stars muzikanten verzameld in de Warner Bros studio’s in Hollywood, met één blanke: gitarist Barney Kessel, handen zwart gemaakt, gefilmd in de schaduw. Tijdens een jamsessie van tien minuten komen aan bod: trompettist Harry Edison, tenorsaxofonisten Lester Young en Illinois Jacquet, bassisten Red Callender en John Simmons, drummers Sid Catlett en Jo Jones, gitarist Barney Kessel, zangeres Marie Bryant en een koppel dansers. Marlowe Morris speelt piano op de drie nummers Midnight symphony, On the sunnyside side of the street met de schitterende zangeres Marie Bryant (1917-1978) en op het titelnummer Jammin' the blues.
Jazz is hier als kunst gefilmd met de beste jazzmusici van toen. Tijdens de 17de Academy Awards in 1945 werd de film genomineerd als ‘Best Short Subject’. Hij veroverde echter geen enkele prijs. Pas in 1995 was ‘Jammin’ the Blues’ winnaar bij The National Film Preservation Board en bekroond als een soort cultureel erfgoed.
Overigens werd uiteindelijk in 1944 het oorspronkelijke vonnis, waarmee twaalf Mexicaanse mannen werden veroordeeld voor moord, vernietigd door het Hof van Beroep van de staat Californië, 2e Appeldistrict.
Nog even over Lester ‘Willis’ Young. Twee maanden na de film moet hij in september 1944 voor veertien maanden in militaire dienst, waarover Lester zegt ‘a nightmare, man, one mad nightmare’. Hij was getrouwd met Miss Mary Daleo en tewerkgesteld bij Count Basie. Gekazerneerd in Fort McCellan, Alabama wordt hij in februari 1945 door de krijgsraad veroordeeld wegens bezit van marihuana. Hij werd opgesloten in de ‘Detention Barracks’ in Fort Gordon, Georgia. Vandaar zijn compositie ‘D.B. Blues’ die hij in december 1945 in Los Angeles opnam voor Aladdin.
En tot slot: Het benefietconcert bracht Norman Granz op het idee van de latere JATP-formule ‘Jazz At The Philharmonic’.
Voetnoot 3: Beatrice Reading
Bertice Reading (1933- op 8 juni 1991 overleden in Londen) was op 7 en 8 februari 1974 in de New Orleans Jazzclub in Scheveningen met de jazzband van drummer Ted Easton (1932-1990). Opnamen zijn uitgebracht op Riff, het platenlabel van Easton (Riff 659.018 en 659.028, op cd Audiophile ACD 80). Bertice Reading trad op met de Bobby Setter Band - Live At The Salons The Lord (Schepdaal), (Arcade LP 215, 1976, wie vindt de juiste datum ?) – Producer was Louis van Rijmenant (1930-1992). Zijn naam blijft verbonden aan de Vogeltjesdans, waarmee hij een wereldhit scoorde.
In zijn autobiografie ‘Hamp’ vertelt Lionel Hampton dat hij met zijn gebruikelijke bezetting in 1953 voor zeven weken naar Europa kwam, toegevoegd was zangeres Bertice Reading. Was ze erbij in 1953 en 1954 in Brussel en Amsterdam ? In Zwitserland had ze een rijke man aan de haak geslagen. Jazzflits 408 van 4 december 2023 gaat uitgebreid over Sonny Parker en zijn toer met Hampton en Reading in Europa. Dat er in Berlijn een Hamptonstrasse naar Hampton werd genoemd is onwaar. Op 26 januari 1975 is Reading in ‘Binnen en Buiten’ voor de Belgische televisie, vier dagen later in het programma ‘Slalom’. Ze was toen een CBS-ster.
In maart 1976 is ze bij radioman Jos Ghysen in ‘Het zal je plaat maar wezen’. Op 16 mei 1978 geeft ze een concert in het Amerikaans Theater in Brussel. Uit 1980 zijn van Reading een dozijn optredens te vinden, van Antwerpen tot de Casino in Middelkerke. Op 29 maart 1980 zong ze tijdens een benefiet voor een Stichting voor Hartonderzoek in Rotterdam.
Orkestleider Bobby Setter (Bob Verhelst, °1939), ereburger van New Orleans en bekend door zijn Europese tournees met Fats Domino in 1982, 1983 en 1987: “Bertice woonde in Asper bij Gent. Een grote artieste maar een onbetrouwbare dame op financieel gebied. Het feit dat ze samenwoonde met een zekere Fred (Ploeg), een soort pooier, deed daar niet veel goed aan. Wegens schulden stond de deurwaarder aan de deur en ’s nachts vertrok ze naar Zwitserland, de eigenaar van de woning bleef achter met schade en onbetaalde huishuur. Ze kreeg eens een contract voor zes maand in de Folies Bergère in Parijs en na enkele weken vertrok ze met de noorderzon. Haar succesnummer Sunday Morning uit 1974 is een productie van Adrien van Landschoot.”
De auteur dankt Alan Westby, Rancho Cucamonga en Gerard Bielderman voor hun bijdragen.






