De Zuid-Afrikaanse erfenis blééf bij Abdullah Ibrahim doorklinken in elke noot
De Zuid-Afrikaanse erfenis blééf bij Abdullah Ibrahim doorklinken in elke noot.
Hij wordt wel genoemd als de belangrijkste jazzpianist van zijn geboorteland, Zuid-Afrika. Abdullah Ibrahim, geboren als Adolph Johannes Brand, blééf zich met Zuid-Afrikaanse aangelegenheden bezighouden, hoewel hij al in 1962 in het buitenland begon te werken.
Zijn ‘roots’ bleven aanwezig; in zijn muziek hoorde je nog lang de klanken van de townships voorbij komen. Op de bühne sprak hij over politieke ontwikkelingen. In ieder geval bij concerten die ik bijwoonde in de jaren ’80 en ‘90. Dat was even wennen; je verwachtte een jazzconcert en kreeg een preek over apartheid en zaken die daarmee samenhingen. De begeleiders wachtten gedwee en het Nederlandse publiek applaudisseerde schuldbewust.
Hij zorgde soms voor ongemakkelijke momenten. Maar hij sprak vaak wijze woorden en speelde muziek die lééfde, hoe verschillend die ook was. Als jonge pianist in Kaapstad speelde hij in het sextet The Jazz Epistles van trompettist Hugh Masekela. In de jaren ’60 en ’70 musiceerde hij in New York en elders met aanhangers van de nieuwe freejazz.
Intussen werkte hij verder aan de ontwikkeling van zijn eigen, Zuid-Afrikaanse jazz. Zijn instrumentale lied Mannenberg geldt als de officieuze soundtrack van de strijd tegen apartheid. Het klonk bij de inauguratie van Mandela als president in 1994. En onlangs bij de installatie van de burgemeester van New York, Zohran Mamdani, die als kind enkele jaren in Kaapstad had gewoond.
Geleidelijk lag meer en meer de nadruk op liederen, veelal door hemzelf gezongen, en steeds spaarzamer pianospel. Op enkele van zijn laatste albums is de rijzige maestro te horen als onbegeleide pianist. De muziek werd kaal, meditatief. “Zweverig”, vonden sommige critici. “Spiritueel”, vonden fans.
Bij interviews kon hij spraakzaam en welwillend zijn. Je moest daar wel de tijd voor nemen, als je bijvoorbeeld informeerde naar zijn muzikale invloeden. Enkele daarvan waren: de kerkmuziek die zijn grootmoeder speelde op de piano, de filmmuziek die zijn moeder daarop liet horen, de klassieke stukken die hij als kind leerde spelen, de zwarte Amerikaanse muziek die hem via de radio bereikte – neem Louis Jordan and His Tympany Five – en natuurlijk Duke Ellington. Die was zijn grote held, op de voet gevolgd door Thelonious Monk.
Als hij in zo’n goede bui was, gaf hij ook wel toe dat zijn genialiteit grenzen kende. Toen hij mocht invallen in Ellingtons band, zette hij de stukken in zoals hij die ooit van de plaat had geleerd. Altsaxofonist Johnny Hodges legde hem uit dat de arrangementen allang waren gewijzigd; dat krijg je als je met Duke avond aan avond die stukken speelt, en dat is óók een kenmerk van jazz.
Toen hij even terug was in Zuid-Afrika, begin jaren ’90, boterde het niet zo tussen hem en enkele lokale musici. Hij trof er een naar eigen zeggen versteende, achtergebleven muziekscene, terwijl de Afrikaanse musici minder ingenomen waren met zijn voorkeur voor dure hotels. Toch bleef hij er terugkeren; zo was hij betrokken bij de oprichting van een soort conservatorium in Kaapstad, 1999. Eenmaal terug in het Westen, hervond hij zichzelf als een prediker van de revolutie. Een interviewer noteerde in 1984: “Revolution is not, like, OK, let’s get it together tonight and tomorrow everything is cool. Revolution is a 24-hour-a-day, 25-hour-a-day job. […] We’re not fighting the regime because we want to have a good time; it’s for our children and their children. Because my great grandfather fought them, my grandmother, my mother – the people of South Africa have been fighting the fascists for centuries, and we will continue to fight them until they are destroyed".
Op de vraag of hij wel voldoende aan de revolutie kon bijdragen, zo ver van huis, antwoordde hij: “We don’t really leave, you know. It’s a tactical retreat. We regard ourselves as cultural freedom fighters. And when our cadres, our young people, go outside the country for training, we don’t say that they left – it’s a tactical retreat".
Het was zijn toekomstige echtgenote, de zangeres Sathima Bea Benjamin, die in 1963 Ellington benaderde met het verzoek eens te komen luisteren. Het jonge paar werkte in Zürich en Ellington was in de buurt, op tournee. Meteen regelde Ellington enkele plaatopnamen. Dit leidde tot Duke Ellington Presents The Dollar Brand Trio (Reprise). Een opvallend energiek album met veel hoekige, gemene Monk-akkoorden. En met naast eigen werk ook een vertolking van Monks hondsmoeilijke Brilliant corners. Sindsdien is hij nooit meer uit de belangstelling geweest. In maart dit jaar gaf hij nog een soloconcert op het Cape Town International Jazz Festival.
Adolph Johannes ‘Dollar’ Brand / Abdullah Ibrahim, geboren op 9 oktober 1934 in Kaapstad, overleed in zijn woonplaats, de Beierse gemeente Prien am Chiemsee op 15 juni 2026.




