Oxford University Press

Over Louis Armstrong zijn bibliotheken volgeschreven. Wat nog ontbrak, was een omvangrijk boek dat voor eens en voor altijd de geschiedenis doornam. Inclusief alle zijpaadjes en zonder veronderstellingen, vooroordelen en aannames. Dat boek is er gekomen en heeft zelfs de vorm van een trilogie. Drie boeken dus.

Auteur Ricky Riccardi begon in 2011 met een boek over Armstrongs laatste 25 jaren - What A Wonderful World / The Magic Of Louis Armstrong’s Later Years - aangezien die nog weinig belicht waren en veelal terzijde werden geschoven door de jazzpolitie. Daarna kreeg Riccardi er zin in en vervolgde hij met een onderzoek naar de twee voorafgaande decennia: Heart Full Of Rhythm / The Big Band Years Of Louis Armstrong. Hij sloot af met een werk over Armstrongs jeugdjaren en eerste successen: Stomp Off, Let’s Go / The Early Years Of Louis Amstrong.

Dit laatste deel van deze trilogie – en daarmee van het achterstevoren beschreven levensverhaal – verscheen al vorig jaar, maar ik vond in de kolommen van JazzNu of andere serieuze Nederlandse jazzmedia nog geen recensie. Gelukkig had ik de drie delen één voor één gekocht en grondig doorgenomen. Onlangs las ik ze voor JazzNu nóg eens. Want bij JazzNu verrichten we geen half werk, wat zullen we nou krijgen.

Auteur Ricky Riccardi is tevens ‘Director of Research Collections’ van het Louis Armstrong House, met als gevolg dat hij makkelijk toegang heeft tot het vele archiefmateriaal. Ook bleken veel kennissen en deskundigen bereid hun herinneringen en bevindingen te delen. Uit eigen ervaringen weet ik dat vermaarde scribenten de gelederen gesloten kunnen houden; je wordt simpelweg genegeerd. Maar Riccardi moest uit hoofde van zijn functie wel serieus worden genomen.

Veel zal de goed ingevoerde lezer al bekend voorkomen. Maar niet alles. Wat mij trof, was de vrij constante tegenwerking van de jazzpers. We weten natuurlijk dat Armstrong met het toenemen van zijn populariteit gestadig minder vriendelijk werd ontvangen. Maar ik lees hier dat die vijandigheid al vroeg van start ging en gedurende vrijwel Armstrongs complete loopbaan zou aanhouden. James Lincoln Collier sprak in 1983 in zijn biografie Louis Armstrong / An American Genius van ‘a bitter waste of astonishing talent over de last two-thirds of his career’.

Maar al in de jaren dertig lieten Leonard Feather, John Hammond en vele anderen hem vallen als een baksteen. Spoedig volgden Gunther Schuller en Rudi Blesh. Na de Hot Fives en Hot Sevens kwam er geen zinnige noot meer uit, aldus luidde de consensus van de experts, iets waar het publiek zich overigens niks van aantrok. Feather was opeens wél vriendelijk over Armstrong toen een sessie uit 1946 ter sprake kwam. Maar daarbij was Feather dan ook zelf betrokken geweest als pianist en componist.

Ook waren er constante schermutselingen met de ‘zwarte’ media – die hem een Uncle Tom vonden – terwijl een aantal blanke zakenlieden heftig bezwaar maakte tegen films waarin Armstrong te zien was, vanwege ‘the appearance of negroes in movie scenes with white persons on an equal social basis’. Weer later waren er de bebop-aanhangers versus fans van oudere jazzvormen, waarbij die laatste groep zich splitste in kenners van de vermeend-authentieke New Orleans-muziek en latere vormen ervan. Het was nooit goed.

 

Louis Armstrong in Amsterdam (1955).
Herbert F. Behrens (Anefo)
Louis Armstrong in Amsterdam (1955).

Het wedervaren van Armstrongs louche manager Joe Glaser mag vertrouwd worden verondersteld, al lezen ze bijna als een schelmenroman. Hij werd herhaaldelijk voor de rechter gesleept vanwege aanrandingen van tienermeisjes, maar toch weer vrijgelaten omdat hij opeens met een van die tienermeisjes zou gaan trouwen. Daarna ging hij de muziekbusiness in, hopend op de grote welstand die hij inderdaad zou verwerven.

Armstrong kende Glasers antecedenten maar kon profiteren van diens reputatie in de onderwereld. In het geval van calamiteiten verklaarde de trompettist rustig maar duidelijk articulerend: ‘Well, Joe Glaser is my manager’. Waarna hij zijn gesprekspartner bleek zag wegtrekken. De macht van Glaser was inderdaad aanzienlijk. Glaser rekende af met een eerdere, dubieuze manager, ritselde en regelde de afwikkeling van alweer een echtscheiding, zorgde voor een begeleidend orkest – enfin, geen zee ging hem te hoog.

Wat mij eveneens boeide, waren Riccardi’s pogingen om Armstrongs afkomst en jeugdjaren te reconstrueren. Zijn tienermoeder ‘Mayann’ was vrijwel analfabeet, een fulltime prostituée en een gelegenheidsdrinker, waarbij moet worden aangetekend dat die gelegenheden zich vaak voordeden. Geregeld verdween ze voor een paar weken in de bak vanwege openbare dronkenschap en het verstoren van de orde. Haar kinderen moesten maar zien zich te redden. Ze vonden voedsel in het afval van restaurants.

Een stamboom ontbreekt, maar na het ordenen van Riccardi’s gegevens kom ik aan vaderskant tot aan een betovergrootvader die uit Afrika kwam en als slaaf de naam Daniel Walker (ca. 1792, sterfdatum onbekend) kreeg. Zijn zoon kreeg dezelfde naam, en diens dochter Josephine (1866-1950) werd Louis’ grootmoeder. Haar zoon Willie Armstrong (1880-1933) verwekte Louis, verdween, verwekte Beatrice (‘Mama Lucy’) en verdween weer.

Aan moederskant is de afkomst schimmig; er is sprake van wat we nu ‘extended families’ zouden noemen; diverse personen die op de een of andere manier verwant waren en naast, boven of onder elkaar woonden. Van Louis’ moeder Mary Estelle Albert (‘Mayann’, ca 1885/1885-1927) is zelfs onduidelijk wie de moeder is, want die wordt nergens genoemd. Mogelijk was ze een kind van haar ‘grootmoeder’ Florentine/Flora of de 13-jarige en dus misbruikte Frances, een kind van Florentine.

Ook Armstrongs geboortedatum blijft vaag. We weten natuurlijk dat Armstrong niet op 4 juli 1900 was geboren – een nationale feestdag én het eerste jaar van de nieuwe eeuw, te mooi om waar te zijn – maar eerder op 4 augustus 1901. Deze datum werd vele jaren na zijn overlijden in een doopregister aangetroffen.
Maar klopt die vierde augustus? Hij werd gedoopt op 25 augustus 1901. De geboorte werd eerder niet officieel vastgelegd. Bij de doop vulde de geestelijke een geboortedatum in: 4 augustus. Het kind dat vlak voor hem werd gedoopt, kreeg 15 augustus 1901 als geboortedatum maar zou zelf altijd 15 juni 1901 als datum opgeven. Armstrong kan evengoed op een (andere) dag in juni, juli of augustus zijn geboren. Destijds kon niemand vermoeden dat deze kwestie een eeuw later nog van belang zou zijn.

De datum werd daarna 4 juli 1901; een feestdag, makkelijk te onthouden voor mensen die (vrijwel) niet kunnen lezen en schrijven. Armstrong maakte zich vervolgens één jaar ouder, want hij moest al jong gaan werken. Hij wilde ook in militaire dienst, in de hoop op een beter leven. Daarvoor moest hij 18 zijn.

 

Louis Armstrong met zijn vrouw Lucille op Schiphol (12 oktober 1949).
Joop van Bilsen (Anefo)
Louis Armstrong met zijn vrouw Lucille op Schiphol (12 oktober 1949).

Dan is er nog het raadsel van zijn vermeende ‘dochter’. In 2012 trad Sharon Preston-Folta in de openbaarheid als zijnde de buitenechtelijk dochter van Satchmo. Ze kon stapels brieven tonen, waaruit bleek dat haar moeder een intieme relatie had met de trompettist, die het eenoudergezin financieel ondersteunde en dolblij was met het kind.

Riccardi moet daar niets van hebben. Ze was absoluut niet de biologische dochter van Armstrong volgens hem. Riccardi komt met zinvolle argumenten. Armstrong – dat lees ik hier voor het eerst - zou zijn gesteriliseerd in zijn puberteit, samen met andere jongens van een weeshuis, nadat in de omgeving een meisje ongewenste zwanger werd.

Hij kón gewoon geen vader worden. Dit vertelde een bevriende binnenhuisarchitect in 1996. Geloven we dat? Wát we zeker weten, is dat Armstrong met zijn vierde en laatste vrouw Lucille graag kinderen wilde, maar die niet kreeg. Ook niet met zijn eerdere echtgenotes en talrijke vriendinnen. Intussen toonde hij zich oprecht-betrokken bij Sharon. In emotioneel opzicht was hij haar vader, en daar hoeven we niet neerbuigend over te doen.

Ten slotte enkele woorden over Armstrongs scholing en problemen met zijn embouchure. Riccardi komt daar geregeld op terug; Armstrong kampte vanaf ten minste 1932 met een onwillige bovenlip nadat hij zich jarenlang had geforceerd om hoog en hard te blazen. De auteur diept dit niet verder uit, helaas. Lezers van JazzNu kunnen terecht bij een artikel van ondergetekende voor JazzFlits; het gaat over de spieren in de bovenlip, zie HIER.

De indruk is, dat Armstrong zijn mondstuk krachtig tegen zijn lippen drukte, daarmee schade aanrichtend. Beter geschoolde trompettisten gebruikten en gebruiken de non-pressure-methode. Chet Baker zei mij letterlijk: ‘Non-pressure saved my life.’ Baker kon ermee blijven spelen, langdurig met één missende voortand en later met een bovengebit.

Armstrong kreeg natuurlijk wel wat muzieklessen; onder anderen van de klassiek geschoolde pianiste Lil Hardin. Riccardi plaatst deze tweede echtgenote in perspectief. Ze vertelde hem het een en ander over klassieke muziek en notenlezen, maar schoot uiteindelijk tekort als jazzpianiste. Terwijl het natuurtalent Armstrong zich in hoog tempo ontwikkelde, bleef Hardin stilstaan. ‘Heavy-handed’, oordeelt Riccardi over haar spel in 1927. Primitief; in harmonisch en vooral ritmisch opzicht. Al deed ze haar best. Maar ja – destijds kon bijna niemand Armstrong bijhouden.

Ricky Riccardi: What A Wonderful World / The Magic Of Louis Armstrong’s Later Years, Heart Full Of Rhythm / The Big Band Years Of Louis Armstrong en Stomp Off, Let’s Go / The Early Years Of Louis Amstrong. Oxford University Press.

 

Advertenties

Advertentie aubergine
Jazz Bulletin 140
TilburgsAns
TilburgsAns