Martin Schouten leverde het sjabloon voor goede jazzverhalen
Het moet begin jaren tachtig geweest zijn toen ik als beginnend jazzjournalist voor Jazz Nu in de Amsterdamse Meervaart was voor het NOS Jazzfestival. Ergens halverwege het festival kwamen twee mij onbekende mannen binnen. De eindredactrice die naast me zat, fluisterde: “Dat is Martin Schouten”.
Ik kende zijn naam van het gezaghebbende, inmiddels niet meer bestaande, Jazzwereld. Zijn statuur was zo groot dat ik niet naar hem toe durfde te gaan om een praatje te maken. Op 15 augustus overleed Martin Schouten op 88-jarige leeftijd.
Voor mij was Jazzwereld het begin en de bron waar al mijn kennis vandaan kwam. Bert Vuijsje was vanaf het eerste nummer in juli 1965 bij dit tijdschrift betrokken. Martin Schouten zat toen als aankomend journalist in de redactie van het VU-studentenblad Pharetra en ontmoette daar Vuijsjes toenmalige vrouw, toen zij tot dat blad toetrad. Tien maanden later zat Schouten in de redactie van Jazzwereld.
Martin Schouten was meteen al een journalist die geen blad voor de mond nam en niemand spaarde als hij dat nodig vond. Daarover liet hij al in zijn eerste stuk geen twijfel bestaan, een recensie van de film Ballad in Blue van regisseur Paul Henreid, waarin Ray Charles met zijn orkest een belangrijke rol speelde. Schouten schreef: “Henreid ziet kans er een smartlap van celluloid van te maken. Het enige lichtpunt in deze troosteloze brei is een scene waarin (de verleidelijke modeontwerpster) Dawn Addams ‘Ooooh’ zegt”.
Zijn stukken in Jazzwereld vallen op en snel wordt hij de jazzrecensent van het Algemeen Handelsblad. Uit onvrede over de fusie met de NRC, maakt hij een overstap naar de Haagse Post, waar Bert Vuijsje ook voor schrijft. In 1978 wordt hij ondanks zijn eerdere bezwaren tegen de fusie een vaste freelance journalist voor NRC Handelsblad.
Zowel Vuijsje als Schouten gaan voor de Volkskrant schrijven, waarin Schouten later op voordracht van Vuijsje theaterredacteur wordt. Schouten, geboren in Apeldoorn en opgegroeid in een christelijk gereformeerd gezin, zal ook spraakmakende interviewseries maken met mensen voor wie hun christelijke gereformeerde overtuiging een leidraad en baken zijn geweest of met mensen die zich daartegen hadden verzet. Het was een onderwerp dat hem vanuit zijn eigen achtergrond, waarmee hij volledig had gebroken, nog steeds na aan het hart lag.
Nog indrukwekkender was zijn latere serie over de Bevrijding, met interviews met mensen over hoe zij de oorlog en de bevrijding hadden beleefd.
In de periode 1966-1973 schreef hij voor Jazzwereld zijn beste jazzverhalen over de man met de hoed (Lester Young), over trombonist Roswell Rudd, pianist Herbie Nichols en saxofonist Harry Verbeke. Hij deed interviews met Ben Webster en samen met Bert Vuijsje met Cecil Taylor. Al zijn bijdragen, evenals die van zijn collega’s Bert Vuijsje, Simon Korteweg en Rudy Koopmans, zijn tot op de dag van vandaag een sjabloon voor het schrijven van goede jazzverhalen. Voor Martin Schouten waren zijn eigen stukken de basis voor zijn boek Billie en de president (1977), dat door velen als het beste Nederlandse jazzboek ooit wordt beschouwd.
Zijn jazzstukken werden steeds minder talrijk. Jazz ging gaandeweg plaatsmaken voor recensies en artikelen over toneel, en hij schreef zelf twee toneelstukken. Martin Schouten publiceerde twintig boeken. Sommige geïnspireerd door zijn liefde voor de jazz en blues en de daarmee samenhangende rassenongelijkheid, andere gaan over zijn grote belangstelling: historie. Boeken over Marinus van der Lubbe, die zich als een van de eersten tegen de nazi’s verzette, het criminele verleden van Oss (verfilmd als De bende van Oss), het palingoproer en de opkomst van het socialisme verschenen. Zijn laatste boek De verzamelde werken van Marinus van der Lubbe verscheen vijf jaar geleden.




