De naam van pianist Bruce Barth doet geen bellen rinkelen. Sterker nog, toen ik anderen vroeg of ze hem kenden vond ik niemand die dat bevestigend kon beamen. Half mei was hij met drummer Stephen Keogh en bassist Joris Teepe in Nederland. Voor een tweedaagse workshop bij het Prins Claus Conservatorium in Groningen gevolgd door een optreden in de Oosterpoort. Verder nergens. Of nee, toch nog vooraf gegaan door een semi-besloten optreden voor de IGC Jazzclub van De Industrieele Groote Club op de Dam in Amsterdam, toegankelijk voor leden en hun introducees. Daar organiseert Floris Jansen maandelijks een jazzconcert en laat hij hem nou wel kennen. Wie is de pianist die veertien albums op zijn naam heeft staan en met onder anderen Karrin Allyson, Jerry Bergonzi, Terence Blanchard, Nancy Wilson, Donny McCaslin, John Pattitucci, George Russell, Gunther Schuller, Toots Thielemans, Vincent Herring en vele anderen op meer dan 125 albums is te horen? Waarom kennen we deze ‘musician’s musician’ niet? Het zijn vragen die aanleiding waren om hem voor zijn Amsterdamse optreden in zijn hotel te interviewen.

Bruce Barth: "Als je muziek op je gehoor speelt komt het veel meer binnen. Dan wordt het meer van je zelf."
Bruce Barth: “Als je muziek op je gehoor speelt komt het veel meer binnen. Dan wordt het meer van je zelf.”

Bruce Barth werd in 1958 in Pasadena, CA geboren en verhuisde op achtjarige leeftijd naar New York. Hij studeerde aan het Berklee College of Music en aan de Long Island University. Later studeerde hij aan het New England Conservatory in Boston bij pianisten Jaki Byard en Fred Hersch. Weer terug in New York ging hij met kornettist Nat Adderley op tournee naar Japan en trad daarna toe tot de groep van tenorsaxofonist Stanley Turrentine en een jaar later tot de groep van trompettist Terence Blanchard. In 1993 maakte hij zijn eerste album In Focus onder eigen naam voor het Duitse Enja-label.

In Nederland is de naam Bruce Barth onbekend, terwijl iedereen in New York en Londen die zich met jazz bezig houdt en die ik sprak u kent. Komt dat omdat u hier niet eerder was?
Ik ben hier wel eerder geweest, maar het klopt dat ik hier niet vaak kom. Dat is zeker. Ik was rond 2000 in het Bimhuis met Tim Armacost, de tenorsaxofonist. Met Phil Woods en de Zwitserse altsaxofonist George Robert was ik er weer in 2005. Ik ga meestal terug naar plaatsen die ik eerder bezocht. Zoals naar Spanje en Engeland, maar in Nederland ben ik zelden geweest. Oh ja natuurlijk, ik trad ook met altsaxofonist Charles McPherson in 2016 op op het North Sea jazz Festival. Dat was de laatste keer. Ik ben wel blij om weer eens terug te zijn.

Het Bruce Barth Trio met Stephen Keogh, Joris Teepe en Bruce Barth.
Het Bruce Barth Trio met Stephen Keogh, Joris Teepe en Bruce Barth.

Ik las dat u al op vijfjarige leeftijd begon met piano spelen en dat u later jazz leerde door naar platen te luisteren. Waar luisterde u toen naar?
Ik begon met op het gehoor klassieke muziek te spelen. Op de high school ging ik op de radio naar jazz luisteren. Ik kende toen nog geen enkele jazzmuzikant. Dat was in New York waar ik naartoe verhuisde toen ik acht jaar was. Ik kreeg mijn eerste jazzplaat van mijn broer op mijn vijftiende verjaardag. Dat was Back Country Suite van Mose Allison. Ik ben die op het gehoor gaan naspelen en kort daarna kocht ik Oscar Peterson op een Verve dubbel-elpee. Met nummers als I Remember Clifford en Con Alma. Dat was nog voordat het Real Book bestond en ik leerde die nummers door ze op het gehoor na te spelen. Ik denk dat het goed is om op die manier zonder bladmuziek jazz te leren. Op die manier krijg je een gevoel voor de muziek dat je niet krijgt als je het van bladmuziek speelt. Als je muziek op je gehoor speelt komt het veel meer binnen. Dan wordt het meer van je zelf. Tegenwoordig kun je alles op internet horen. Je kunt veel filmpjes bekijken en zo de geschiedenis van de jazz in je opnemen. Wij moesten nog sparen om een plaat te kunnen kopen. Daar luisterden we dan uren naar. In die tijd werd ik verliefd op Wynton Kelly, nog voordat hij beroemd werd. Daarna kwamen Monk, Miles Davis en natuurlijk Charlie Parker. Toen ik Parker voor het eerst hoorde, ik was toen een jaar of twintig, kon ik zijn manier van spelen niet echt begrijpen. Ik heb echt uren en uren naar hem geluisterd voordat ik verliefd op zijn muziek werd. Ik was een laatbloeier wat jazz betreft. Het voordeel van dat ik wat ouder was, is dat ik met zo veel ervaren musici kon spelen. Daar kun je dingen van leren die je niet in de boeken vindt. Zo speelde ik al snel met Stanley Turrentine en Freddie Hubbard. Van hen leer je echt krachtig te spelen.

Al die musici waar ik naar luisterde hebben me beïnvloed, maar uiteindelijk vind je je eigen geluid. Dat gaat van nature. De dingen die ik mooi vind probeer ik in mijn eigen muziek op te nemen en te verwerken. In de muziek die ik schrijf verwerk ik ook die invloeden. Ik ben me ervan bewust dat ik geen innovator ben. Ik heb de loop van jazz niet veranderd, maar voor mij is belangrijk dat ik iets persoonlijks speel waarbij ik me goed voel. Voor mij is een mooi toucher en subtiliteit belangrijk. Waarbij in elke frase elke noot te horen is. Ik houd van het toucher van Red Garland, Herbie Hancock en Keith Jarrett, maar Parker is daarbij ook belangrijk voor mij geweest. In een frase moet niet elke noot dezelfde intensiteit hebben, het moet niet hetzelfde volume hebben. Elke noot in zo’n frase is een beetje anders. Dat geeft schoonheid aan de muziek. Het ritme is natuurlijk belangrijk, en het gevoel van swing moet krachtig zijn. Ik zal niet zeggen dat jazz altijd moet swingen, maar voor mij is dat wel belangrijk. Ik houd er ook van om andere ritmen te spelen. Ik ben gek op Braziliaanse muziek. Ik zou zeggen dat mijn handtekening bestaat uit mijn toucher en mijn frasering. Ik wil een mooie melodie spelen en een verhaal vertellen. Dat is waar het echt om gaat. Ik speel geen piano om mensen te imponeren, maar ik speel om een verhaal te vertellen. Hopelijk raakt het mensen. Daar gaat het om. Mijn kenmerk is ook dat ik een teamspeler ben. Ik laat me graag beïnvloeden door wat de drummer en bassist doen. Als er op een avond iets moois gebeurt zal ik niet zeggen: dat doen we vanavond weer. Elke avond is weer nieuw en anders. Ik speel zonder vooropgezet plan. Ik houd van jazzstandards, maar ik focus me ook graag op mijn eigen composities.

Bruce Barth, Joris Teepe en Stephen Keogh in de zaal van De Industrieele Groote Club in Amsterdam.
Bruce Barth, Joris Teepe en Stephen Keogh in de zaal van De Industrieele Groote Club in Amsterdam.

Als u standards speelt, speelt u de standard dan als de standard of verwerkt u hem in uw eigen compositie?
Ik herschrijf de standard niet, maar soms gebruik ik een onderdeel ervan als een vamp in mijn eigen compositie. Soms begin ik met een nummer en zie dan wel wat ervan komt. Dan kan het een heel andere kant opgaan. Met een kleine groep heb ik de flexibiliteit om te zien of dat kan gebeuren. Dat heeft ook te maken met het idee dat ik een teamspeler ben en gebruik maak van de input van de andere spelers. Het is niet mijn show, maar die van het trio. Het zijn niet mijn begeleiders maar mijn partners. Als bandleider wil ik niet te veel van te voren vastleggen. Soms maken de bandleden een keuze die ik niet gemaakt zou hebben. Soms leidt dat tot muziek van een ander niveau.

U heeft een tijd in de groep van Terence Blanchard gezeten. Wat heeft u van hem geleerd?
Ik zat vier jaar in zijn groep. Ik begon in 1988 met een tournee van een week met Nat Adderley en kwam daarna bij Terence. Ik speelde op alle gigs en alle opnamen die hij in die tijd maakte. Ik leerde veel over moderne harmonie, akkoorden en uitdagende composities. Ook van Branford Marsalis die in de groep zat leerde ik veel.

Hoe ontmoette u Terence Blanchard?
Er is in Brooklyn een vibrafonist, Monty Croft en die vroeg me voor een opname voor Columbia Records. In zijn buurt woonden veel Afro-Amerikaanse jazzmuzikanten. Door Monty ontmoette ik daar Wynton en Branford Marsalis, Jeff  ‘Tain’ Watts en ook Terence Blanchard. Later had ik thuis een jamsessie en daar kwam Terence ook naar toe. Op die Columbia-sessie speelde Terence eveneens mee. Ik deed geen auditie of zoiets, maar hij vroeg me voor een optreden in Toronto, Canada omdat hij geen vaste pianist had en zijn pianist die avond niet kon. Hij vond wat ik deed goed en vroeg me voor zijn band.

Bruce Barth: "De kracht en de drang van Freddie Hubbard maakten veel indruk op me."
Bruce Barth: “De kracht en de drang van Freddie Hubbard maakten veel indruk op me.”

U speelde ook een lange tijd met Tony Bennett.
Ja, ik zat elf maanden in zijn groep. Maar daarvoor werkte ik met Stanley Turrentine en Freddie Hubbard. De kracht en de drang van Hubbard maakten veel indruk op me. Ook toen zijn ‘chops minder werden. Ik speelde ook regelmatig met James Moody en Art Farmer. Allemaal musici die me inspireerden. Het was ook de tijd dat ik met mijn eigen groep begon. Ik werkte veel met saxofonist Steve Wilson en de Braziliaanse zangeres Luciana Sosa. Ik zit nu al twintig jaar, af en aan, in de band van trompettist Terell Stafford.

Bij Tony Bennett kwam ik terecht, omdat hij rond 2006 een pianist zocht en (pianist) Bill Charlap mij bij hem aanbeval. Ik stuurde Tony wat cd’s van mij. Hij is een ‘total ear player’. We speelden vaak avond na avond dezelfde set maar hij had een bijzondere frasering en kon een noot op een onverwachte manier veranderen. Dat was opwindend. Van Tony leerde ik de kunst van rubato spelen. Dat betekent dat je het nummer uitsleept en in een veel langzamer tempo speelt. Je kunt een ‘verse’ van een liedje rubato spelen en daarna het tempo opvoeren. Tony heeft zo’n geweldig diep gevoel en een geweldige sound. Het was een hele eer om voor Tony te spelen, maar ik miste de sensatie. Als pianist kreeg ik bij hem weinig ruimte, miste ik instrumentale muziek en collega’s.

Bruce Barth: "Mijn beste advies is: werk hard aan je eigen muziek."
Bruce Barth: “Mijn beste advies is: werk hard aan je eigen muziek.”

U speelde in grote orkesten, in kleinere groepen, in jazztrio en als solist. Wat heeft uw voorkeur?
Ik focus me op het moment op trio’s. Ik houd van het ritme. Ik kan mijn eigen muziek spelen en de interactie met bas en drums is fijn. Ik houd van het schrijven van een goede melodie. Muziek heeft een balans tussen open structuur en melodie. Soms is het een groove of een baslijn die de basis voor een compositie vormt. Als ik het leuk vind probeer ik het uit op het podium. Vaak leg ik het terzijde. Soms pak ik dat later dan weer op en verander het iets.

U geeft ook les op Temple University in Philadelphia en Columbia University in New York. Wat is uw advies aan jonge musici?
Mijn beste advies is: werk hard aan je eigen muziek. Je speelt met anderen samen. Wat muziek goed maakt is een goede relatie met de andere musici.

Tekst en foto’s TOM BEETZ

 

WWW.BRUCEBARTHMUSIC.COM

 

Previous

Jazz à Liège schittert weer door veelzijdig programma

Next

Eve Beuvens toont bodem ziel in ‘Inner Geography’

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Lees ook