Interviews

Jef Neve: solidair met anderen door overleven

Corona kon de release van Jef Neves nieuwe plaat ‘Mysterium’ dwarsbomen, maar niet z’n spirit aantasten. Geen artiest die sinds maart vaker live heeft gespeeld: via Facebook, in openlucht of voor het zorgpersoneel. De jazzpianist gunt ons een blik in zijn studio én zijn kleurrijke leven. “Vroeger kreeg ik kritiek omdat mijn muziek te commercieel was. Nu niet meer: de meeste van die criticasters zijn intussen dood.”

Jef Neve: “Ik heb nog nooit zo hard gewerkt in mijn leven als de afgelopen maanden.”

Zelden heb ik een mooiere plek toebedeeld gekregen om een interview af te nemen. Onder een boom aan de oevers van de Leie heeft Jef Neve twee stoeltjes klaargezet. Dit is de achtertuin van de hoeve in Sint-Martens-Latem die de jazzpianist al vijftien jaar gebruikt als schrijfplek en kantoor. Maar al is de plek nog zo idyllisch, toch zal de broeierige boosheid van 2020 via allerlei sluipwegen z’n weg naar ons gesprek vinden.

Je nieuwe plaat ‘Mysterium’ is net uit. Die had al in maart moeten verschijnen, maar corona gooide roet in het eten. Toch lijkt sindsdien niemand zoveel concerten te hebben gespeeld als jij.
“Ik zei het gisteren nog tegen een vriend: ‘Ik heb nog nooit zo hard gewerkt in mijn leven.’ Alles bij elkaar heb ik sinds maart meer dan tachtig concerten gespeeld. In het begin van de lockdown waren er mijn dagelijkse concertjes via Facebook Live. Vervolgens lanceerde ik de betalende online concerten op jefneve-live.com – tegenwoordig speel ik daar nu twee keer per week. En dan waren er nog de concerten met beperkt publiek deze zomer: de coronaproof-versie van Gent Jazz bijvoorbeeld, maar ook nog andere concerten in openlucht.

Je hebt geluk: jazz is een stoeltjesgenre. Voor een metalgroep of Dimitri Vegas ligt optreden nu moeilijker.
Ja, voor mij zijn stoeltjes standaard. Maar organisatoren hebben nu wél de garantie nodig dat hun geplande stoeltjesconcerten in openlucht niet zomaar ineens kunnen worden gecanceld door een burgemeester, zonder dat daar een schadevergoeding tegenover staat. Dat is wat de afgelopen weken zoveel kwaad bloed heeft gezet: het werd echt een opbod van burgemeesters. ‘Zie eens hoe streng wij zijn in de strijd tegen Covid-19! Zie eens hoe ver wij gaan om jullie gezondheid te garanderen!’ Dat er geen kritisch weerwoord mogelijk was, is frustrerend.
Die lokale verboden hebben veel organisatoren ontmoedigd om ook nog maar íéts te ondernemen. Je zou wel een naïeve wereldverbeteraar moeten zijn om nu concerten te plannen voor het najaar, hè. In de tussentijd probeer ik te ondersteunen waar mogelijk. Begin deze maand stond ik in Werkplaats Walter in Anderlecht, voor twintig man. Ik vind dat super, zo’n kleine cultuurorganisatie die moedig blijft voortdoen. Natuurlijk zeg ik dan: ‘Ik kom af!’ Dat het amper betaald is, maakt me dan niet uit.

In april speelde je ook in het UZ in Gent, voor het verplegend personeel op de Covid-afdeling. Een vroegere schoolvriendin van me werkt daar, en sms’te me: ‘Het was iets fundamenteel schoons. Een contrast met de hardheid van de ziekenhuisgang. Muziek als een verbindende kracht, ook voor onze patiënten, die meeluisterden via het tv-kanaal.’
Amai, daar ben ik even stil van. Wat zij beschrijft, heb ik ook gevoeld. Dat moment op die ziekenhuisgang zal ik van mijn leven niet vergeten. Ik zag dat die mensen moe waren, en emotioneel. Het had iets meditatiefs: het was eerder een soort gebed dan een concert. Het voelde in elk geval heel juist: ik kon iets teruggeven. Vóór corona, toen ik gemiddeld honderd  concerten per jaar speelde, gaf ik natuurlijk ook elke avond het beste van mezelf. Maar of ik daarna kon zeggen dat ik écht iets had gegeven aan mijn publiek?

Je raakte als Kempenzoon geïnteresseerd in jazz begin jaren negentig, toen behalve grunge en house ook acid jazz heel populair was, met Britse namen als The Brand New Heavies en Jamiroquai.
Mij was het toen volledig te doen om een groep van bij ons: de Antwerpse funkband Wizards of Ooze! Ik probeerde zoveel mogelijk optredens van hen te zien. Ik speelde al van mijn 14e keyboards in popgroepjes, maar ik koesterde een enorme fascinatie voor muzikanten die goed overweg konden met een Hammondorgel. Eigenlijk wilde ik dát doen: stevig staan grooven op een Hammond. We zijn in ons dorp dan ook een groepje à la Wizards of Ooze begonnen, de funkband Mr. Zebedee. We traden op in schapenvachtjes, terwijl een vriend op het podium met een opblaasbare Chiquita-banaan stond te zwaaien (lacht).

Jef Neve: “”Als er thuis gediscussieerd werd, ging dat vooral over muziek.”

Wist je al vroeg dat je muzikant wilde worden?
O, ja. De meeste kinderen in Oosterlo waren bezig met voetbal, maar ik wilde pianospelen. Ik voelde me ook wel wat een oude ziel: ik kon beter praten met gasten die al wat ouder waren dan met mijn eigen klasgenoten. Ik ging ook heel stevig tekeer als iemand zei dat hij later op het Vlaams Blok zou stemmen – we beleefden toen volop de nadagen van Zwarte Zondag (op 24 november 1991 won het Vlaams Blok de federale parlementsverkiezingen, red.). Als er thuis gediscussieerd werd, ging dat vooral over muziek. Zoals die keer dat mijn vader me er aan tafel met alle macht van probeerde te overtuigen dat Def Leppard en Guns N’ Roses – de bands waarnaar ik in mijn puberteit plots was gaan luisteren – écht niet goed waren (lacht). Zelf had hij in zijn studententijd een stevige platencollectie opgebouwd, van de Stones via de Beatles tot Ierse folk, maar was later overgeschakeld op klassiek. Het was vooral door mijn moeder dat muziek bij ons thuis erg aanwezig was. Ze zingt in een koor en speelde vroeger ook piano. De microbe heb ik van haar.

Op je 18de trok je naar het Lemmensinstituut in Leuven. Maar je was niet meteen geslaagd voor de toelatingsproef.
Nee, ik heb me er echt door moeten lullen. Nadat ik piano had gespeeld, vroeg het jurylid dat me moest beoordelen: ‘En, speel je nog een ander instrument?’ Ik dacht: fuck you gast, serieus? Ik voelde me zo beledigd. Maar ik herpakte me en loog: ‘Jaja, ik speel ook saxofoon.’ Nu, ik speelde wel sax in de harmonie van Oosterlo, maar dat niveau was net goed genoeg om er op uit te trekken tijdens de jaarlijkse kermis en achteraf pinten te gaan pakken op café (lacht). Omdat ik mijn sax niet bij me had, hebben ze me op mijn woord geloofd. En toen ik na de zomervakantie voor mijn eerste pianoles terechtkwam bij de docent die me had afgekraakt tijdens mijn toelatingsproef, wist die gelukkig al niet meer wie ik was. Nu, ik ben dan wel ‘illegaal’ binnengesukkeld op het Lemmensinstituut, ik heb er wel de kloten van mijn lijf gewerkt.

Jef Neve: “Al mijn hele leven zeg ik ‘ja’ tegen dingen waarvan ik niet zeker ben of ik ze wel kan.”

Maar stel dat je de autoriteit van die docent tijdens de toelatingsproef had aanvaard en eenzaam en afgewezen de trein naar huis had genomen?
Ik heb moeite met aanvaarden dat iets onmogelijk is. Al mijn hele leven zeg ik ‘ja’ tegen dingen waarvan ik niet zeker ben of ik ze wel kan. De eerste keer dat iemand me vroeg om een pianoconcerto te schrijven? Geen idee hoe dat moest. Toen Felix van Groeningen me vroeg voor de score van de film  Dagen zonder lief had ik evenmin een idee hoe je aan filmmuziek begon. Maar dat is wel de enige manier om jezelf vooruit te duwen. Het belangrijkste daarbij is dat je je niet laat afschrikken door de mogelijkheid dat je op je bek gaat. Én dat je aanvaardt dat het niet zo erg is als dat toch gebeurt.

Afgelopen juli opende je tijdens Gent Jazz je set met een bewerking van ‘I Mean You’ van Thelonious Monk, die je meteen je ‘favoriete componist’ noemde.
Ja, omdat hij heel tegendraads is. Voor veel mensen, die niet zo thuis zijn in jazz, gaat Monk te ver. Voor veel mensen zal jazz tout court altijd nerveuze, vervelende muziek blijven. Al vergelijk ik jazz graag met olijven: je moet dat léren waarderen. Nu wil het toeval wel dat ik zelf géén olijven lust (bulderlacht).

Zelf maak je géén tegendraadse muziek, zoals je held Monk. Ik kan me inbeelden dat bepaalde jazzsnobs je zelfs te populair vinden. Omdat je bijvoorbeeld al op tournee trok met Natalia.
Twintig jaar geleden, toen ik met mijn trio een steeds groter publiek begon te bereiken, was er best wat afgunst, ja. Dan zei men: ‘Dat is geen jazz wat die jongen speelt, dat is commerciële muziek.’

Deed die kritiek je iets?
Nee. Dan moet je niet op een podium kruipen. Intussen is die kritiek ook wel gaan liggen. Die mensen zijn intussen ook allemaal dood (lacht). Serieus, die kritiek kwam toen vooral van een oude garde.

Hoe situeer je jezelf nu, tussen die nieuwe jonge garde, van Nordmann tot STUFF.?
Die jonge groepjes zijn heerlijk. Wat Lander Gyselinck (drummer bij STUFF., red.) doet, dat is een plezier om te volgen, zo kleurrijk. Het interessante is ook dat je in België veel jazzeilandjes hebt: de scene in Gent is heel anders dan die in Brussel, waar je veel fusion met Afrikaanse invloeden hebt. Ik vind van mezelf dat ik binnen dat nieuwe landschap vrij toegankelijke, akoestische jazz maak. Maar er zit evengoed iets in mij dat wil bewijzen dat er meer mogelijk is. Ik word al goedgezind van alleen al het idéé dat mensen hun wenkbrauwen fronsen bij het zien van de combinatie Natalia en Jef Neve op papier. Of toen Will Tura me vroeg om samen te werken (Neve en Tura namen samen het nummer Ik hou van jazz op, red.). Tura, dat is wel een icoon hè, een monument. Ik wil niet vastzitten in één hokje.

In een eerder interview zei je dat je als mens weinig melancholie meedraagt, maar dat je wél melancholische muziek maakt. Misschien ben je in je dagelijkse leven zo opgewekt, net omdat je je melancholie in je muziek stopt?
Ik denk het. Ik smijt dat gewoon op mijn publiek, dan ben ik het kwijt. ‘Hier: dit is mijn shit, trek er jullie plan mee.’ (schatert) Wat ik altijd heb gehad, als kind al, is dat ik zo overweldigd kan worden bij de aanblik van schoonheid, dat de tranen me in de ogen springen. Dat gevoel kan me evengoed overvallen als ik een coureur een waanzinnige wedstrijd zie winnen. Ik kan dan blèten van geluk, maar ik voel mezelf dan ook heel klein en nietig worden.

Mathias De Clercq, burgemeester van Gent, zei in de Humo-rubriek Tussen Hemel & Hel dat hij ervan droomt om jou ooit samen met Jamie Cullum te zien optreden op het Gentse Sint-Pietersplein. Mathias en jij zijn vrienden, jullie delen een liefde voor Italië.
En voor wijn. We hebben elkaar leren kennen op Gent Jazz, we stonden naast elkaar in het publiek te dansen bij Jamie Cullum – ja, Mathias kan wel feesten. Ik vind in Mathias een goed klankbord, we sturen elkaar geregeld berichten waarin we elkaars mening vragen over bepaalde dingen. Het kan dan over van alles gaan: muziek, de maatschappij. En wijn (lacht).

Jef Neve: “”Al mijn hele leven zeg ik ‘ja’ tegen dingen waarvan ik niet zeker ben of ik ze wel kan.”

Je bent een wijnkenner?
Ik zou eerder zeggen: een groot consument. En daardoor een nog groter liefhebber (lacht). Ik heb een wijnkeldertje, al is dat ferm geslonken de afgelopen maanden. Ik heb ook een wijnclub. In normale omstandigheden kwamen we maandelijks samen. Wij zijn met z’n tienen en er zijn mensen bij van alle slag: profvoetballers, makelaars, onderwijzers… We organiseren onze avonden altijd rond een thema: vrouwelijke wijnmakers, mooie flessen, een bepaalde streek…

Wat is het hoogste bedrag dat je al aan een fles hebt gespendeerd?
Ik vind dat een goeie wijn niet meer dan vijftig euro mag kosten. Maar mijn favoriete uitdaging is een topwijn vinden van maximaal twintig euro. Ik kan echt een kick krijgen van zo’n zoektocht. Ja, ik scan ook flessen in de winkel met de Vivino-app. Maar het allerplezantste is helemaal zélf een goeie ontdekking doen, het liefst op reis in Italië met mijn man. Eén van de beste wijnen die we zo al hebben ontdekt, was op restaurant ergens in de Colli Euganei, een vulkanisch gebergte in de Veneto. Daar hebben we de wijnen ontdekt van het domein Vignalta. De witte chardonnay is zeer goed, maar hun dessertwijn… Man! We laten die nu geregeld opsturen. Ja, er vliegen hier maandelijks toch een aantal bestellingen de deur uit (lacht).

Van Italië terug naar hier. Hoe kijk je nu naar alle perikelen rond corona?
Onze verdraagzaamheid lijkt bij momenten helemaal weg. In bepaalde straten van Gent ben je verplicht om een mondmaskertje te dragen. Ik heb al gehoord hoe mensen verwijten naar hun hoofd kregen, omdat ze bij het verlaten van hun woning hun maskertje nog niet hadden opgezet. Alsof het criminelen zijn. Weet je nog, in het begin van de lockdown was er sprake van een soort rust die over ons was neergedaald. Maar nu merk ik afgunst rond me: ‘Hoe? Zij hebben het wél goed? En ik niet?’ Ik vang via via verhalen op dat bepaalde mensen in de muzieksector wél goed zouden liggen bij het kabinet van minister van Cultuur Jan Jambon. En dat zij wél subsidies of bepaalde toelatingen krijgen. Ik zeg niet wie, want het punt dat ik wil maken is: het gaat de verkeerde kant op als we ons blindstaren op wat een ander zogezegd klaarspeelt.

Jef Neve: “”Wat ik altijd heb gehad, is dat ik zo overweldigd kan worden bij de aanblik van schoonheid, dat de tranen me in de ogen springen.”

Na solidariteit komt nijd.
Iedereen wil nu overleven, maar het is essentieel dat we daarbij solidair blijven. Het is niet de cultuursector tegen de luchtvaartsector – dat beeld kennen we intussen wel (lacht). Het is ook niet omdat de horeca wél kan draaien, dat we als kunstenaars nu moeten zitten zaniken over volle terrasjes. Het is cruciaal dat we elkaar allemaal iets blijven gunnen. De volgende stap moet zijn dat we met oplossingen komen. Daarvoor is het cruciaal dat we als cultuursector een sterke lobby uitbouwen, want deze crisis heeft duidelijk gemaakt dat we die niet hebben. Iedereen die maar voor zijn eigen winkel spreekt op sociale media, dat helpt de zaak niet vooruit. Ik denk dat de tijd rijp is.

Zie je kwade opzet in de stiefmoederlijke behandeling van de cultuursector door de politiek in deze crisis?
Er zullen ongetwijfeld mensen in hun vuistje lachen nu, mensen die de sector niet genegen zijn, maar ik zie er géén grote samenzwering in, nee. If the shit’s coming down on us, it’s coming down on everyone. Hoeveel plezier is er nu nog zonder ons? En als 80.000 mensen in de cultuur- en evenementensector hun werk verliezen en van het OCMW moeten gaan leven, dan zullen we dat ook met z’n allen moeten betalen. Dus: het zou alleen maar dom zijn om de poten vanonder de cultuursector te zagen.

Auteur en journalist Gaea Schoeters sprak in een Facebookpost van de ‘ideologische tang’ waarin de cultuursector vastzit. ‘Wie zijn daadkracht wil bewijzen, gooit een festival dicht. Kost ons geen kiezers, denken ze bij rechts, want die culturo’s stemmen toch niet op ons. Kost ons geen kiezers, denken ze bij links, want die culturo’s kunnen toch niet anders dan op ons stemmen.’
Ik ben er zeker van dat rechts zichzelf dan wél in de voet schiet. Ik ken genoeg collega’s uit de evenementen- en cultuursector die op de N-VA stemmen of zeker stemden toen die partij opkwam, denk aan de N-VA als hippe neoliberale partij voor de ondernemer. Het is een veralgemening dat je als artiest links zou zijn. Net zoals dat cliché van de linkse subsidieslurper. Het is jaren geleden dat ik nog links stemde. En ik ontvang al jaren geen subsidies meer, en ik vraag ze ook niet aan. Ik run een eigen bedrijf en ben werkgever van mensen. Ik ben niet links, en ik ben niet rechts – ook daar weiger ik me in een vakje te laten stoppen. Ik zal me ook heel mijn leven blijven verzetten tegen extreem rechts. Nog het meest van alles omdat er zo weinig levensvreugde te bespeuren valt in die hoek.

Je bent één van die onverbeterlijke optimisten hè.
Ik ben iemand die probeert in elke situatie kansen te zien, ja. Ik ben ook gestopt met door al die doemberichten te scrollen. Ik werd er slechtgezind van. Ik probeer overzicht te bewaren: wat is er belangrijk in mijn leven? Iedere dag dat je gezond bent, is een geschenk. Dat je vrienden hebt die je graag ziet en die jou graag zien, dat is belangrijk. Eten, drinken, slapen, gezondheid, liefde – dat is de essentie.”

Jef Neve: “Eten, drinken, slapen, gezondheid, liefde – dat is de essentie.”

Droom je er soms nog van om een groovende Hammond- toetsenist te zijn? Een groepje à la Wizards of Ooze te beginnen?
Ik ben er zeker van dat een hele generatie weer op die sound zit te wachten. Maar ik heb andere plannen voor een nieuw groepje, nu mijn nieuwe studio in Aalter af is. Ik wil er een plaat opnemen met Pieter Peirsman (o.a. Hooverphonic, red.), en Jasper Maekelberg van Faces on TV. We zijn goeie kameraden en hebben ooit samen in de Ardennen al een aantal nummers geschreven, daar moet nu maar eens een hele plaat van komen. Door al dat optreden de voorbije maanden verkeer ik ook in topvorm, ik voel me als een sporter die intensief heeft getraind. Het ziet er naar uit dat we in het najaar niet veel concerten gaan spelen, dus nu breekt er eindelijk eens een periode aan dat ik kan werken aan dat grote pianoconcerto, of aan die grote symfonie. Ja, daar wil ik nu eindelijk eens aan beginnen: die grote symfonie.”

KATIA VLERICK
Archieffoto’s GEMMA KESSELS

Mysterium’ van Jef Neve is nu uit bij Universal. In de herfstmaanden is er ‘Jef Neve speelt met u’. Data op

www.jefneve.com 

Dit artikel verscheen eerder in een licht gewijzigde vorm in het Belgische tijdschrift Humo.

Previous post

Muziek over de lichtheid van 35 jaar wereldreizen

Next post

Tim Daemen-4 met concert voor Leven op Aarde

No Comment

Leave a reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *