COLUMN

 

Ik had een droom…

Ik lig in een kelder op een steenkoude vloer. Tegen mijn linkerschouder rust een vrouw met in haar armen een meisje van een jaar of vier. De vrouw huilt, haar tranen druipen op een sjaal die ze rond haar hoofd en hals heeft gebonden. De tranen bevriezen onmiddellijk, waardoor zich een rand ijs rond haar mond heeft gevormd. Enkele uren geleden, toen twee mannen in gele hesjes ons de kelder in commandeerden, vertelde de vrouw mij dat ze Kalinka heet.

Het lawaai in de kelder is oorverdovend, de stank navenant. De ongeveer tweehonderd grotendeels vrouwen en kinderen huilen en krijsen, de lucht is vergeven van de penetrante geur van diarree en braaksel. Hier heerst angst, doodsangst.

Plotseling worden de deuren open gegooid en treden de gele-hesjesmannen binnen. Ze verzoeken ons vriendelijk de kelder te verlaten, omdat het grootste gevaar buiten is geweken. We gaan de trap op en knipperen met onze ogen tegen het felle daglicht. De lange rij vrouwen en kinderen stokt, verbijstering slaat toe, handen worden voor gezichten geslagen, een oudere vrouw zakt in elkaar, vlakbij klinkt het angstaanjagende gegrom van mortieren en gefluit van voorbij schietende raketten. Maar dat is ondergeschikt aan de hel die zich voor onze ogen openbaart.

Charles Mingus. Foto Hans Kumpf/Jazz Workshop

Van de omgeving zoals we die kenden toen we de kelder in vluchtten is niets meer over. Het bankgebouw, waarvan de kelder ons onderdak bood, is totaal verwoest, het kinderziekenhuis ernaast is ineen gestort, overal waar je heen kijkt, resten rokende puinhopen. De lucht is bijna zwart, enerzijds door de donkere wolken waaruit het hevig sneeuwt, anderzijds door de verwoestingen die hebben plaatsgevonden. Links en rechts liggen dode lichamen.

“Mama, mama”, het kind van Kalinka schudt heftig aan de mouw van haar moeder, “daar is Ras, die meneer van wie papa heeft gezegd dat hij hem zijn hoofd gaat afhakken.” We kijken verschrikt op. En inderdaad: tegen de zwarte achtergrond van dood en verderf heeft de vijand middels een laserstraal een tientallen vierkante meters groot portret geprojecteerd van Ras Poetin, de krankzinnige misdadiger die een van de grootste landen van de wereld regeert en nu een vredelievend buurland in deze afgrijselijke oorlog heeft gestort. Het portret krijst onafgebroken bol’she sily, bol’she sily, bol’she sily… meer macht, meer macht, meer macht… Mensen krimpen ineen, huilen, klampen zich aan elkaar vast.

Op een meter of tien van mij vandaan komt een forse man aangelopen. Zijn tred is slepend. Op zijn rug draagt hij een foedraal met daarin een contrabas. Hé, ken ik die man niet? Verrek, het zal toch niet…? Jawel, hij is het wel: Charles Mingus. Hij loopt naar de rokende puinhopen van het kinderziekenhuis, klimt naar het hoogste punt, haalt zijn contrabas tevoorschijn. En dan gebeurt er een wonder. Boven het oorverdovende oorlogsgeweld klinken Mingus’ stem en zijn instrument. Hij declameert zijn gedicht dat een ijskoude band rond je hart smeedt: The Chill of Death. Mingus’ woorden overstemmen met gemak het lawaai van mortieren, raketten en mitrailleurs.

 

The chill of death as she clutched my hand.
I knew she was coming so I stood like a man.
She drew up closer, close enough for me to look into her face, and then began to wonder,
“Haven’t I seen you some other place?”
She beckoned for me to come closer as if to pay an old debt.
I knew what she wanted; it wasn’t quite time yet.
She threw her arms about me as many women had done before.
I heard her whisper, “You’ll never cheat me, never anymore.”
Darkness and nothingness clouded my mind.
I began to realise death was nothing to fear but something sweet and kind.
I pinched to see if I was dreaming but failed to find bodily form. I then began to realize death had worked her charm.
Taking myself of nothingness I chose a road to walk.
I noticed death’s pleasantness with no one to stop me to talk.
I remembered stories of heaven as I envisioned the glory ahead.
Two roads lay waiting for me to choose one now that I was dead.
One road was dark; I could not see clearly such long stretched highway.
The other road was golden and glowing, and shined as bright as day.
I then remember stories of pearly gates, golden streets… or how… however those stories are told.
I knew I’d reach heaven on this highway. If not, I’d have the gold.
I took one footstep feeling safe and acting bold.
Suddenly, I realised my mistake. My chosen road turned black, bittery, and white cold.
No longer was it golden glory nor heaven that it’s in.
White hot flames were blazing; I saw the devil with his grin.
I had taken but one footstep so I turned to hurry back.
But there a sound more waited, not a door, nor a crack
Finally, coming to my senses, I walked on to my hell.
For long before death had called me, my end was planned.
Planned, but well.

Met Mingus’ laatste woorden sterft het oorlogslawaai af. Het wordt doodstil, akelig stil na twee weken dood en verwoesting. Charles Mingus richt zich in zijn indrukwekkende lengte van twee meter kaarsrecht op en gebaart met zijn linkerhand. Tussen de puinhopen duiken vanuit verschillende richtingen mensen op; het zijn warempel zijn muzikanten. Daar komen ze: tenorsaxofonist James Moody, cellist Charles McCracken, pianist Sir Roland Hanna, hoornist Julius Watkins, lead-trompettist Snooky Young, drummer Dannie Richmond… En even later ook altsaxofonist Charles McPherson, de trompettisten Lonnie Hillyer en Joe Wilder en tenorsaxofonist Bobby Jones. Mingus grijpt naar zijn contrabas, gebaart naar zijn orkest en daar klinken de eerste noten van Don’t Be Afraid, The Clown’s Afraid Too.

 

Badend in het zweet schiet ik overeind in mijn bed. De klanken van Don’t Be Afraid, The Clown’s Afraid Too klinken nog loeihard na. Langzaam komt mijn geest op gang. The Chill of Death en Don’t Be Afraid, The Clown’s Afraid Too zijn stukken van het zo indrukwekkende album Let My Children Hear Music van Charles Mingus. De plaat die naar zijn eigen zeggen de beste is die hij ooit heeft opgenomen. Het is de ultieme aanklacht van Charles Mingus tegen het racisme waar hij zijn hele leven tegen vocht. En die alles met dood en leven heeft te maken, net zoals in de oorlog die ik zojuist in mijn droom doorleefde.

Ik word niet echt wakker, de droom heeft mijn ‘zijn’ nog altijd in zijn greep. Het zijn de verschrikkingen die ik met Kalinka en haar kind doormaakte en al die anderen die dood of levend in die nachtmerrie voorbij kwamen. Maar de aanwezigheid van Charles Mingus zal toch ook wel een betekenis hebben gehad, zo houd ik mij voor. Het is toch niet voor niets dat hij juist muziek van zijn album Let My Children Hear Music had gekozen om ons nabij te zijn. Om ons voor te houden dat er ooit een einde komt aan deze oorlog met al zijn verschrikkingen – en hopelijk de marteldood voor Ras Poetin, want dat droomde ik ook.

En zijn Chill of Death móet een metaforische betekenis hebben. In het gedicht uit 1939 doet de Dood zich voor als een mooie vrouw. Charles Mingus heeft haar afgewezen en zij slaat haar armen om hem heen, maar hij ontsnapt aan haar dodelijke omhelzing. De Dood treedt terug, maar zal, zoals bij iedere mens, ooit weer terugkeren om haar of hem van deze aarde te bevrijden.

Nu nog niet. Dát is de hoop die Charles Mingus de oorlogsslachtoffers biedt. Om ze op een hoopvolle toekomst te wijzen. En ze met Don’t Be Afraid, The Clown’s Afraid Too moed te schenken voor de omstandigheden waarin ze thans verkeren. Om die draaglijk te maken, te vechten voor het leven. Ook en vooral voor de betere tijden die na deze verschrikkingen komen. Want die komen, vast en zeker!

RINUS VAN DER HEIJDEN

Previous

Zurstrassen Quartet bestrijkt groot deel jazzspectrum

Next

Simin Tander doet vrouwen in de kunsten de juiste eer aan

Lees ook