Opinie

Stichting Boy Edgar Prijs is aan enige revisie toe

Bij de publicatie (op 27-6-2020) van het artikel over de toekenning van de Buma Boy Edgar Prijs aan Ack van Rooyen stelde de redactie van JazzNu zichzelf enkele vragen. Die gingen over de samenstelling van de jury, de toekenning van de prijs aan vooral mannelijke jazzmusici en de al jarenlang – en in de ogen van de redactie verouderde – gehanteerde procedure waarmee de Stichting Boy Edgar Prijs werkt. Kritische vragen, die voor de geïnteresseerde jazzliefhebber een verhelderend licht zouden kunnen werpen op de jaarlijkse toekenning van Nederlands belangrijkste prijs op het gebied van jazz- en improvisatiemuziek.

 

Illustratie Pit Lempens

Naar goed journalistiek gebruik ging de redactie van JazzNu nadien te rade bij de Stichting Boy Edgar Prijs. Met in de hand een lijstje met tien vragen. De antwoorden van sommige van die vragen zijn te vinden op de website van de stichting, maar de redactie had er graag een mondelinge toelichting op gehad. Dat bleek echter niet mogelijk. Een woordvoerder van de stichting wist te melden dat de voorzitter van het bestuur, Friederike Darius, pas op 1 juli in functie was getreden, evenals vier andere bestuursleden. Geen van de bestuurders achtte zich gerechtigd om antwoorden te geven op de vragen van JazzNu.

De antwoorden die JazzNu wel kreeg waren kopieën van passages uit het huisreglement van de Stichting Boy Edgar Prijs. Daar is te lezen wie de jury benoemt (het stichtingsbestuur) en hoe de jury tot stand komt. Ook vermeldt het huisreglement waarom er elk jaar een andere jury aantreedt (vanwege toewijzing kandidaten vanuit verschillende invalshoeken). Een andere vraag betrof de samenstelling van het nieuwe bestuur en daaraan gekoppeld wat die verandering teweeg heeft gebracht. Het antwoord daarop berust op statutaire gronden: op 1 januari van dit jaar moest een deel van het bestuur worden gewisseld, op 1 juli het tweede deel.

Maar er waren vooral andere vragen die JazzNu intrigeerden, daar kwamen echter geen antwoorden op. De woordvoerder van de stichting die niet met naam en toenaam wil worden genoemd, verwees naar het stichtingsbestuur, dat op zijn beurt liet weten daar geen antwoorden op te willen geven, omdat het nog maar enkele dagen in functie was. Voorzitter Friederike Darius wilde “later in het jaar dolgraag met JazzNu praten.” Maar daar wilde JazzNu niet op wachten. De vragen die waren gerezen hadden een actueel karakter, omdat ze opborrelden na de toekenning van de Buma Boy Edgar Prijs 2020 aan Ack van Rooyen.

De punten die bleven liggen luiden als volgt: 1. Waarom is er in de loop der jaren nooit iets veranderd aan de organisatiestructuur van de BEP? 2. Waarom wordt bij de samenstelling niet de nadruk gelegd op mensen met een gedegen jazzachtergrond? 3. Er zijn in de jury’s nogal eens mensen opgenomen, die nauwelijks of geen kennis hebben van de historie van de Nederlandse- én mondiale jazzgeschiedenis. 4. Als je één keer een jury met statuur samenstelt, dan zou je daar bijvoorbeeld toch een jaar of vijf mee vooruit kunnen? Deze laatste vraag heeft vooral te maken met het feit dat Nederland te klein is om elk jaar een vakkundige jury af te leveren.

Na diverse pogingen van JazzNu om antwoord te krijgen op de vragen, ontstond er een status quo. Volgens de woordvoerder kon het bestuur niet antwoorden vanwege de prilheid, terwijl de woordvoerder zelf geen antwoorden wilde geven omdat het hier louter om bestuurlijke zaken handelde. Anders gezegd: we gingen in een kringetje ronddraaien. Waarop JazzNu heeft besloten toch een enigszins ‘doorlichtend’ artikel te wijden aan de Stichting Boy Edgar Prijs. Daarbij heeft jazzmusicus en schrijver Ben van den Dungen hand en spandiensten verricht.

RINUS VAN DER HEIJDEN

 

Illustratie Pit Lempens

 

De enige oplossing zou kunnen zijn
dat je de prijs een half jaar eerder overhandigt,

of dat hij eens in de twee jaar wordt uitgereikt.

 

Het is mooi dat er een oeuvreprijs is voor jazzmuziek. Daar is niks mis mee en met de prijswinnaars natuurlijk ook niet. Toch viel me een aantal zaken op die ik zelf, door mijn eigen ervaring als actieve jazzmusicus op allerlei fronten, als merkwaardig ervoer.

Neem bijvoorbeeld de planning. De Boy Edgar Prijs wordt in juni bekend gemaakt en in het najaar uitgereikt. Als je in juni te horen krijgt dat je die prijs hebt gekregen moet je voor de aan de prijs gekoppelde tournee, snel aan de bak om wat te boeken in het jazzclubcircuit voor het daarop volgende seizoen. In veel gevallen ben je in feite al aan de late kant. Veel clubs hebben een groot deel van hun programmering dan al rond.

Voor het theaterseizoen is het sowieso te laat, want na het zomerreces gaan de theaters plannen voor twee seizoenen daarna. Boeken voor de festivalperiode in het jaar daarop kan wel natuurlijk, maar dan rijd je in feite marketingtechnisch in de wielen van de daaropvolgende prijswinnaar.

1-0 ACHTER

Ik begrijp natuurlijk ook wel dat de bekendmaking van de Boy Edgar Prijswinnaar een leuke combinatie is met het evenement inJazz. Dit wordt in juni georganiseerd en Buma Cultuur is daarvan ook de hoofdsponsor. Het gevolg is wel dat de prijswinnaar in elk geval wat het boeken van een tour betreft al 1-0 achter staat. De enige oplossing zou kunnen zijn dat je de prijs een half jaar eerder overhandigt, of dat hij eens in de twee jaar wordt uitgereikt.

Bij navraag bij een aantal prijswinnaars kreeg ik gelijksoortige, kritische kanttekeningen te horen. Het merendeel daarvan betrof het feit dat de prijswinnaar er alleen voor staat. De concerttour moest zelf geregeld worden en de subsidieaanvragen die dat dan mogelijk zouden moeten maken, moesten zelf worden gemaakt en aangevraagd. Daar werd geen ondersteuning bij gegeven. Niet elke musicus is even handig met dit soort zaken, dus bij de een pakte het beter uit dan bij de ander.

Heel merkwaardig overigens, maar een aantal belangrijke clubs heeft ook geen boodschap aan een bepaalde winnaar en ruimt daar niet automatisch een datum voor in. Het had mij logisch geleken dat de Stichting Boy Edgar Prijs een soort intentie-afname zou hebben bedongen bij een aantal vaste clubs, maar dat is niet het geval. Ieder voor zich en je zoekt het maar uit.

Terugkomend op de subsidieaanvragen rond de concerttour zou je je ook kunnen voorstellen dat zo’n intentie eveneens wordt bedongen bij een aantal fondsen. Hetgeen dan meer duidelijkheid zou kunnen geven of de tournee financieel een beter fundament zou hebben. Wellicht zou je daarnaast al een standaardaanvraag klaar kunnen hebben. Deze zou bijvoorbeeld gemaakt kunnen zijn door een professionele fondsenwerver die de prijswinnaar daarmee dan verder helpt.

Een van de prijswinnaars wist me te melden dat met het geregel rond de prijs, de concerttour en de subsidieaanvragen de hoogte van de prijs in elk geval niet afdoende was om het aantal uren die hij er ingestoken heeft, financieel af te dekken. Een saillant detail van de prijsuitreiking is het feit dat de prijswinnaar tijdens de prijsuitreiking voor niks moet spelen. Immers, zo is de redenatie van de Stichting Boy Edgar Prijs dat je al een prijs krijgt en niet nog eens betaald hoeft te worden voor het spelen tijdens die uitreiking. Hoezo voor niks spelen denk ik dan. Het is toch een prijs die wordt gegeven voor je bewezen artistieke diensten uit het verleden en zou toch niks met de artistieke prestatie, geleverd op de desbetreffende avond, te maken moeten hebben. Het komt mij enigszins ‘penny wise’ over en levert alleen maar ergernis op bij de prijswinnaars.

SENA

De Buma Boy Edgar Prijs wordt voor het merendeel financieel ondersteund door Buma Cultuur, maar de Sena was al jaren een trouwe ‘partner in crime’. De aanvraag voor 2020 werd door de Sena afgewezen. Wat was daar nu de reden voor? Navraag bij de socu-commissie van de Sena die over dit soort aanvragen gaat leerde mij, dat er binnen deze commissie al een tijdje kritiek was op een aantal onderdelen van de prijs. In het verleden hadden gesprekken daarover plaats gevonden met de Stichting Boy Edgar Prijs, maar met de kritiek werd niets gedaan. Deze richtte zich op de samenstelling van de jury. Sena had daar zo zijn twijfels over. Kritiek was er onder meer op het feit dat de juryleden teveel uit hetzelfde circuit of hoek kwamen. De kwaliteit van de juryleden stond ook ter discussie. Men had bezwaar tegen het elk jaar vernieuwen van de jury.

Binnen de redenering van de socu-commissie vindt men Nederland gewoonweg te klein om jaar na jaar, elke keer met een goede, inhoudelijke jury te kunnen komen. Dit met de gedachte dat een mening hebben toch niet hetzelfde is als kennis hebben over datgene waar je over moet oordelen. Er zijn een hoop mensen met een mening, maar geen groot aantal met de vereiste kennis. Daar kan ik wel inkomen.

De Stichting Boy Edgar Prijs liet weten dat een en ander zo in de statuten staat. De Sena was van mening dat je die statuten net zo makkelijk ook kunt veranderen of aanpassen. Een socu-commissielid liet me nog weten dat hij voor de uiteindelijke vergadering werd gebeld door een bestuurslid van de Stichting Boy Edgar Prijs en dat hij onder druk werd gezet met de woorden dat zonder de bijdrage van de Sena het allemaal niet kon door gaan. Bij elkaar genomen geen handige move. Dit alles resulteerde uiteindelijk in een einde van de bijdrage van de Sena. Wel een vreemde opmerking overigens, omdat Buma Cultuur al een bedrag van € 32.500 had toegezegd en de prijs maar € 12.500 bedraagt.

PECUNIA

Nu we het toch over de pecunia hebben. Op de site van de Stichting Boy Edgar Prijs kan men de jaarverslagen vinden vanaf 2014. Heel netjes, dat wel. Inhoudelijk zijn ze echter uiterst summier, hetgeen de transparantie rond de pegels niet echt bevordert. In een begroting die ik onder ogen kreeg kon ik echter de cijfers inzien van de prijsuitreiking van de jaren 2016 en 2017. In 2016 was een totaalbedrag begroot van € 59.412 en in 2017 van € 58.116. Met andere woorden een prijs van 12.500 euro tegen een overhead van pak hem beet gemiddeld € 46.500. Enige differentiatie is daarbij op zijn plaats. Zoals gezegd bedraagt de Boy Edgar Prijs € 12.500. De marketing kwam in 2017 neer op een bedrag van € 11.678 en in 2016 op een bedrag van € 14.484. De overhead, met als grootste post de projectmanager, kwam in 2017 op een bedrag van € 14.031 en in 2016 op € 14.691. De prijsuitreiking zelf kostte in 2017 € 18.995 waarbij moet worden vermeld dat de kosten rond uitkoop van de muziek € 10.000 bedroegen. De prijsuitreiking in 2016 kostte in totaal € 16.649, waarbij de kosten van de uitkoop van de muziek € 6891 bedroegen. De kosten van de jury bedroegen in 2017 € 912 en in 2016 € 1086.

Naar mijn bescheiden mening staat de verhouding van de hoogte van de prijs tot de kosten van de overhead wel heel erg uit het lood. Het lijkt me een goede aanbeveling om de hoogte van de Boy Edgar Prijs omhoog bij te stellen en eens zeer kritisch te kijken naar de kosten van de overhead en deze naar beneden aan te passen. Mocht men daar dan toch mee bezig zijn, dan is het misschien geen gek idee om de bovenstaande bevindingen mee te nemen om van de Boy Edgar Prijs een beter functionerende prijs te maken dan dat die nu is.

BEN VAN DEN DUNGEN

 

De namen van woordvoerders en betrokkenen in dit artikel zijn bij de redactie bekend.

 

Vorige bericht

Witch ‘n’ Monk zorgt voor knetterende punkuitbarsting

volgende bericht

Xylofoon

1 Comment

  1. Simon Rigter
    10 augustus 2020 at 22:02 — Beantwoorden

    Goed stuk!

Laat een bericht achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *