Eric Ineke is 75 jaar geworden. In april al, maar zijn drukke agenda stond het niet toe om eerder met JazzNu door die driekwart eeuw te kuieren. Maar nu er wel tijd is, vertelt de drummer maar al te graag wat hem al die jaren heeft bezield. Met de juiste jaartallen en al. Plus waarom hij zo’n geliefde begeleider is.

Eric Ineke: "Met het sextet van Martin Haak speelden we ook pop, we eindigden altijd met Satisfaction van de Rolling Stones." Foto Gemma Kessels
Eric Ineke: “Met het sextet van Martin Haak speelden we ook pop, we eindigden altijd met Satisfaction van de Rolling Stones.” Foto Gemma Kessels

Hoewel hij door velen wordt beschouwd als een specifieke bebop- en hardbop-drummer, ziet Eric Ineke zichzelf toch breder. “Met Wolfert Brederode deed ik tot 2006 verschillende dingen en ik heb ook vrijer gespeeld. Ik ben ooit begonnen in de dixieland en swing. Dat was rond 1964, toen begon ik al een beetje te schnabbelen. Ik werkte bij mijn broer, die een zaak in Perzische tapijten had. Ik kon spelen wanneer ik wilde. En als er niet veel te doen was, studeerde ik op die stapel Perzische tapijten. Ik speelde in die tijd met Ferdinand Povel, Rob van den Broeck, Wim Essed en Henny Vonk. Zij was in ’65 de eerste die goed kon scatten. Ferdinand ken ik al vanaf mijn vijftiende.”

“Na mijn middelbare-schooltijd deed ik mijn eerste sessie in de Haarlemse Jazzclub. Daar zag ik Ferdinand en hij haalde me bij het sextet van Martin Haak. We speelden ook pop, eindigden altijd met Satisfaction van de Rolling Stones. Ik kreeg steeds meer werk. In 1966 ging ik naar New York met de Beale Street Jazz Band van Bob Kaper. Toen we daar waren wist ik: dit wil ik de rest van mijn leven gaan doen.”

Eric Ineke was 14 jaar toen hij met drummen begon. Hij kreeg les van een klassieke leraar, maar dat werkte niet, zegt hij. “Ik vond er niks aan, ik wilde iemand die jazz speelde. Zo iemand was John Engels. In 1963 schreef ik verhaaltjes voor de schoolkrant. Op zeker moment een over de Diamond Five. Ik dacht: zo kan ik ingang krijgen bij Johnny om les van hem te krijgen. Hij nam me mee naar de kelder van zijn huis, ik speelde wat, waarop John zei: jou wil ik wel les geven. Dat ging een paar jaar af en aan. Van alle gasten uit die tijd, heb ik veel geleerd.”

Eric Ineke en Dexter Gordon in 1972. Foto archief Eric Ineke

Jazz zat er derhalve al jong in bij Eric Ineke. “Ik had altijd de radio aan, de draadomroep en luisterde al tien jaar naar de Dutch Swing College Band, de Diamond Five en Frans Elsen. Toen ik terug was uit New York werd ik lid van het nieuwe kwartet van Ferdinand Povel met Henk Elkerbout op piano – we speelden vooral werk als Giant Steps van Coltrane. In het voorjaar van 1968 kreeg ik de kans Hank Mobley te begeleiden met Ruud en Pim Jacobs en Wim Overgaauw in De Eland in Delft. Mobley lag ‘ver weg’ in zijn hotel. We hebben toen Piet Noordijk gebeld en zo begon mijn connectie met hem. Een week later speelden we in Groningen en toen was Hank Mobley er wel bij. In de eerste set zat Pim Jacobs achter de piano, in de tweede Rein de Graaff. Daardoor kreeg de muziek natuurlijk wel een andere lading.”

Eric Ineke: "Via Johnny Griffin kwam ik uit bij Art Taylor en via Dexter Gordon bij Kenny Clarke.” Foto Gemma Kessels
Eric Ineke: “Via Johnny Griffin kwam ik uit bij Art Taylor en via Dexter Gordon bij Kenny Clarke.” Foto Gemma Kessels

Zo begon een samenwerking met Rein de Graaff, die een halve eeuw heeft geduurd. Eric Ineke’s eerste concert met hem was naar aanleiding van het tienjarig bestaan van de Haarlemse Jazzclub, met zang van Henny Vonk. Met een andere zangeres, Rita Reys, speelde Eric Ineke in 1968 voor het eerst op het Kasterfestival in Kasterlee. “’s Avonds speelde daar Pink Floyd.” De samenwerking met het Rein de Graaff/Dick Vennik Quartet heeft Eric Ineke naar eigen zeggen geen windeieren gelegd. “We speelden veel; als Rein niet kon viel Irv Rochlin of Rob Agerbeek in. Voor mij is het daar echt een leerschool geweest. In 1969-’70 begon Ferdinand Povel een trio met Rob Langereis en mij. Wim Wigt had ons gecontracteerd. Het was Wim’s aanzet om impresario te worden. Wij waren zijn eerste band. Via hem ben ik op de Universiteit van de Hardbop gekomen. Ik heb zoveel plezier gehad met Johnny Griffin en Dexter Gordon. En veel van hen geleerd. Mijn twee beste lessen kwamen van hen: via Griffin kwam ik uit bij Art Taylor en via Gordon bij Kenny Clarke.”

De vraag is brandend en móet nu worden gesteld: wat zijn de kenmerken van een bopdrummer, behalve de swing? Het antwoord is klip en klaar: “De bass drum en de interactie tussen linker- en rechterhand, de accenten die je neerlegt en die gelijk opgaan met de interactie met de solisten. De techniek volgt de geest. Voorbeelden daarvan zijn pianist Bud Powell, drummer Kenny Clarke en contrabassist Oscar Pettiford. Er móest interactie komen. Vooral de accenten van de drummer maakten de muziek veel vrijer. Of je dan ook je eigen standpunten kwijt kunt? Het hangt er daarbij van af wat er om je heen gebeurt. Als drummer moet je gevoed worden. Bij Scott Hamilton pas ik me aan, daar hoef je niet veel aan te vullen. Dexter Gordon had meer interactie nodig. Je kunt je eigen ideeën wel kwijt, maar je mag de boel nooit overspelen. Bij mij gaat spelen automatisch, ik hoef niet na te denken, moet wel heel open staan.”

Rein de Graaff, Eric Ineke, Dexter Gordon en Henk Haverhoek na een concert in 1972. Foto archief Eric Ineke
Rein de Graaff, Eric Ineke, Dexter Gordon en Henk Haverhoek na een concert in 1972. Foto archief Eric Ineke

In het verlengde hiervan kun je je afvragen of een bopdrummer het moet hebben van vele, vele noten. “Dat hangt af van de ruimte die je krijgt”, zegt Eric Ineke. “Met heel veel noten kun je ook een stoorzender zijn. Je hebt er niet veel nodig. Ik heb een periode gehad dat ik er wel veel speelde. Door de jaren heen heb ik steeds meer weg gelaten, daardoor gaat het alsmaar beter klinken. Je moet ruimte maken. Je leert steeds meer en gaat daardoor naar de essentie. Het gaat om die ene klap, maar die moet er wel op de juiste plek zijn.”

Om inspiratie op te doen luistert Eric Ineke zeker naar anderen. “Het belangrijkste voor mij is als de groep waarmee ik speel, goed klinkt. Het gaat niet om mij, wel om de groepsklank. Daarvoor zorg ik ook als ik met mijn eigen kwintet speel. Me aanpassen aan de verschillende mensen met wie ik speel, gaat vanzelf. Daarover denk je niet na, je voelt meteen wat jouw plek is. Jouw ‘cymbal time’ is jouw handtekening. Dat hoor je duidelijk bij Elvin Jones en Jimmy Cobb, daar haal je meteen de echte drummers uit.”

Eric Ineke met Hank Mobley in 1968. Foto archief Eric Ineke
Eric Ineke met Hank Mobley in 1968. Foto archief Eric Ineke

Als je over jazz spreekt, is het aanstippen van vernieuwing haast onontkoombaar. Daarom de vraag aan Eric Ineke: houdt ontwikkeling automatisch vernieuwing in? “Welke vernieuwing?” is het prompte antwoord. “Als het om vernieuwing gaat, moet het uit de diepte van de jazzgeschiedenis zijn. Met alle enerverende wereldmuziek bijvoorbeeld heb ik niets. Die heeft niets met jazz te maken. De belangrijkste elementen van jazz zijn blues en swing. Vaak wordt ritme weggehaald. Alles is echt recht geworden. Popmuziek heeft een geweldige invloed. Er zit zoveel agressie in die muziek. En hard! Het is één grote drang, vreselijk. Zoiets doet jazz geen goed.”

Vanuit dat standpunt is het verklaarbaar dat Eric Ineke nooit aandrang heeft gehad om zich aan te sluiten bij de vrije improscene in Amsterdam. “Klopt, ik vind het pure aanstellerij. Dat gedoe met Han (Bennink) en Misha (Mengelberg). Ik word er echt niet warm van, het is alleen maar gekukel en gekraai. Net als die super-intellectuele muziek van nu. Je wordt toch vrolijk als je swing en ritme hoort. Ik word blij als ik een mooie song hoor van Frank Sinatra en Tony Bennett. Het gaat om de ‘feel’.”

Als je zo over vrije improvisatiemuziek denkt en je neemt daar afstand van, dan raak je ook niet teleurgesteld. Maar dat overkwam Eric Ineke wel bij een concert van accordeonvirtuoos Johnny Meijer en tenorsaxofoonkolos Archie Shepp. “Johnny was dronken en Archie trok zich daar niets van aan. Hij zei tegen mijn zwangere vrouw: sta jij eens op voor mij. Ze speelden allebei in verschillende toonsoorten. (Contrabassist) Harry Emmery wist niet met wie hij mee moest gaan. Ik zat erbij en wist niet wat me overkwam. Het is het ergste wat ik ooit heb gespeeld.”

Eric Ineke: "Componeren heb ik nooit gedaan, ik heb daar geen zin in. Ik ben niet onderlegd met akkoorden en zo. Wel met drieklanken op piano, maar dat is het wel zo'n beetje." Foto Gemma Kessels
Eric Ineke: “Componeren heb ik nooit gedaan, ik heb daar geen zin in. Ik ben niet onderlegd met akkoorden en zo. Wel met drieklanken op piano, maar dat is het wel zo’n beetje.” Foto Gemma Kessels

Componeren is niet aan Eric Ineke besteed. “Heb ik nooit gedaan, ik heb daar geen zin in. Ik ben niet onderlegd met akkoorden en zo. Wel met drieklanken op piano, maar dat is het wel zo’n beetje. Ik houd een band toch wel bij elkaar, met mensen om me heen die goed schrijven. Ik ben heel blij met mijn JazzXPress. De band bestaat al zestien jaar. Sinds kort is de Frans Elsen Factor erbij gekomen (groep jonge musici van nu die in de traditie treedt van een sextet van pianist Frans Elsen en altsaxofonist Piet Noordijk uit de jaren zeventig, rvdh). Ik ben de enige van de oude bezetting die nog leeft. Ik wil die band wel voortzetten, maar alleen met die jonge gasten, zei ik tegen Frank Jochemsen. Dit in het kader van ons eerste concert ter ere van mijn 75e verjaardag.”

Er zijn weinig drummers die evenveel aandacht besteden aan de melodie als aan het ritme. Eric Ineke is het hiermee wel eens. “Jeff Hamilton is er zo een. Als je melodisch wilt spelen, moet je goed uitkienen wat je doet met je drumstel. Je moet de trommels zo stemmen dat je er inderdaad een melodie op kunt spelen. Bij Philly Joe Jones hoor je altijd een melodie, maar hij speelt hem niet. Bij mij is dat ook zo. Ik probeer duidelijkheid te scheppen en in de loop der jaren is dat alleen maar sterker geworden. Shelly Manne speelde ook heel melodisch, maar er zijn niet veel van dit soort drummers, klopt wel, ja.”

Eric Ineke, Ruud Jacobs, Lucky Thompson en Rob Madna in 1968. Foto archief Eric Ineke

De huidige stand van de jazz in Nederland, wat vindt Eric Ineke daarvan? “Technisch is het allemaal op heel hoog niveau. Overal in de wereld trouwens. Maar muzikaal is het allemaal wat minder, ik hoor te weinig bezieling van binnenuit. Er wordt te veel uit en met het hoofd gespeeld. Ik vind dat muziek niet academisch moet gaan worden.”

Vijfenzeventig jaar inmiddels, levert die leeftijd Eric Ineke beperkingen op? “Ik ben ’s morgens iets stijver, maar na de douche en de koffie is het allemaal weer oké. Reizen met vliegtuigen vind ik steeds minder leuk. Het is een soort veevervoer geworden. Vreselijk, dat Schiphol. Reizen is geen pretje, maar als ik eenmaal op mijn bestemming ben, heb ik het toch naar mijn zin. Stoppen? Nee hoor. Ik heb tegen mijn vrouw gezegd: ‘Als deze het niet meer doet (Eric Ineke tikt met zijn rechterhand op een cymbaal, rvdh), dan houd ik ermee op’.”

Voorlopig beschikt Eric Ineke nog over ‘een dot’ energie. Voor de Concertzender stelt hij al zes jaar House of Hard Bop samen. “Ik schrijf de tekst en zoek de muziek uit, dat zou ik wel iets meer willen doen. De tekst uitspreken doe ik niet. Ik ervaar het als een groot geluk dat ik nog altijd les kan geven. Na mijn pensionering mocht ik blijven bij het conservatorium van Den Haag. De leerlingen wilden dat ook. In 2013 is de Erasmusuniversiteit begonnen met een uitwisseling met buitenlanden. De vraag kwam: is iemand van jullie bereid om in te vallen? Ik heb dat een aantal jaren gedaan, in Korfu, Lissabon, Ierland. Ik was ook in het Finse Joensuu, vlakbij de Russische grens. De stad is in de Tweede Wereldoorlog helemaal plat gegooid. Het stadhuis en een museum stonden nog overeind, de rest is helemaal nieuwbouw. Als ik met zo’n uitwisseling bezig ben, geef ik daar zo’n drie dagen les, ook individueel. Met meestal nog een concert erachteraan.”

Jesper Lundgaard, Eric Ineke, Doug Raney en Jimmy Raney tijdens een concert in 1982. Foto archief Eric Ineke
Jesper Lundgaard, Eric Ineke, Doug Raney en Jimmy Raney tijdens een concert in 1982. Foto archief Eric Ineke

“Lesgeven vind ik heel belangrijk. Ik wil er zeker mee doorgaan, maar als ik moet stoppen dan is dat maar zo. Ik kan dan natuurlijk nog wel masterclasses en zo geven. Ik heb met zoveel mensen getoerd en daar kan ik zoveel over vertellen. Daar vragen leerlingen steeds naar. Overdracht, dat is het. Daar komen de leerlingen voor. Daarom vind ik het ook zo belangrijk om te doen. Ik heb ook zó’n belangrijke periode meegemaakt: komt er een Amerikaanse gast en die moet worden begeleid. Dat tijdperk is er niet meer en komt ook niet meer terug. Het werden allemaal goede vrienden en collega’s, ze sliepen allemaal hier: Dexter Gordon, Johnny Griffin, Pepper Adams, Charlie Rouse, Clifford Jordan, Jimmy Rainey. Daarom is er geen afstand meer.”

RINUS VAN DER HEIJDEN

 

www.ericineke.com

Previous

Toots Thielemans verbindt Brussel voor eeuwig met jazz

Next

Kika Sprangers’ ode aan de verbeelding is voltreffer

1 comment

  1. Een inhoudelijk goed verhaal over een jazz-coryfee. Met respect voor Erik geschreven. Dank.

Comments are closed.

Lees ook