Foto Tom Beetz

De cello is een doodnormaal instrument. Een groot symfonieorkest heeft er wel acht tot twaalf in de strijkerssectie zitten. Maar zo normaal als hij in de klassieke muziek is, zo ongebruikelijk was hij in de jazz. Dat terwijl een viool vanaf de vroegste jazz zijn plaatst opeiste, en een cello eigenlijk niet anders is dan een wat grotere altviool die een octaaf lager is gestemd.

Waarschijnlijk is de cello tot diep in de jaren veertig van de vorige eeuw niet in de jazz gebruikt, althans bewijs daarvoor is niet gevonden. Violist Claude Williams zou het in de jaren twintig als kind in de band van zijn broer hebben gespeeld, omdat hij te klein was voor een contrabas en daarom een cello als bas stemde. W.C. Handy’s band zou in 1917 in Snakey Blues de cello van Henry Graves hebben opgenomen, maar van een cello daarop is niets te horen.

Voor het gebruik van de cello in jazz moeten we teruggaan tot eind jaren veertig toen de bassisten Harry Babasin en Oscar Pettiford hun contrabas af en toe omruilden voor een cello. Het duurde nog tot 1950 voordat ze daarmee opnamen gingen maken. Ze maakten school en meerdere bassisten onder wie Ray Brown en Ron Carter gingen naast bas ook cello spelen. Fred Katz was een van de weinige jazzcellisten die geen bassist was.

Tegenwoordig zijn er veel jazzcellisten, maar weinig die uitsluitend cello spelen. Nederland is goed vertegenwoordigd met voltijd cellisten onder wie Ernst Reijseger (foto), Tristan Honsinger en Jacqueline Hamelink.

Previous

Yuri Honing Quartet schept met 'Bluebeard' nieuwe poëzie

Next

Nieuw profiel voor blues bij Eric van der Westen c.s.

Lees ook