Henk Zwerver (rondetijd 4.42,21)
Een vreemde eend in de bijt, die Henk Zwerver? Zeker weten, maar daarmee onderscheidt hij zich niet van andere musici die ‘zijn’ muziekstijl beoefenen, de vrije improvisatie. En wat ook nog vreemd is? Dat Henk tot zo’n twaalf jaar geleden het eerbiedwaardige beroep van psycholoog beoefende, toen ‘uit trad’ en meteen de gitaar ter hand nam om de Nederlandse vrije-impro-scene te verrijken. Of dat zomaar gaat? Alleen als je de geheimen van de gitaar al kent. Dat was bij deze bijzondere musicus en mens zeker het geval, omdat hij in zijn jeugd al deel uitmaakte van een popgroep. Akkoord, pop en vrije impro liggen ver uit elkaar, maar als je creatief bent zoals deze 77-jarige durfal, dan sla je gewoon een brug ertussen. Als Henk Zwerver geen muziek maakt, dan ontwerpt hij collages: knippen, schuiven, plakken, eindeloos lang. De resultaten zijn ernaar! En als laatste dan maar: is hij nooit bang? Welnee, want zegt hij niet: “Angst is een voorwaarde om creatief bezig te zijn.?” Kortom, we hebben weer een bijzondere stokjesdrager in deze rubriek. Lezen dus, want: “Je spreekt hier met een tevreden mens.”
Waar ben je op dit moment mee bezig?
Met mijn trio met Wilbert de Joode en Michael Vatcher. En ik ben nauw betrokken bij de All String Night in de Roze Tanker in Amsterdam. Waar een groep van zo’n twintig snarenspelers, aangevuld met piano en stem, op afkomt. We spelen volgens een vast stramien, in de loop der jaren sloten al zo’n tweehonderd musici aan. Ik organiseer dat zo’n vijf keer per jaar met Raoul van der Weide, wij zijn altijd vast aanwezig. Er komen ervaren muzikanten en ook conservatoriumstudenten op af. Van Jaap Blonk tot Ig Henneman. Heb daar mooie trio’s gehoord! Voorts vorm ik nog een duo met altsaxofonist Marcus Wärnheim en Modèles Volatils met Raoul van der Weide. En sinds kort een duo met drummer Nasim López-Palacios Navarro. Ik broed nog op een trio of een kwartet.
Welke herinneringen aan je carrière zijn je het dierbaarst?
Concerten met Strings-5 met Marta Warelis, Jan Nijdam, Jacob Plooij, Raoul van der Weide en ik. Jan en ik zetten het op na een sessie in 2015. Het heeft een paar jaar bestaan, maar is daarna dood gebloed.
Waarom doe je graag wat je doet?
Omdat het een noodzaak is om iets met creativiteit te doen. Ik zou niet anders kunnen. Spelen en collages maken, ik doe niets anders.
Wanneer is je passie voor jazz ontstaan?
Die is heel voorzichtig, bijna homeopathisch in 1966 ontstaan. Er bestond toen een pianotrio, waarvan de pianist nooit werk had. Ik speelde in een popgroep, waar die pianist zich bij aansloot. Er gebeurden vreemde dingen, omdat binnen onze popmuziek ineens jazzinvloeden opdoken. Wij waren de eerste popgroep met een Hammond M3 en daardoor kwam al snel Jimmy Smith om de hoek kijken. Toen is het zaadje bij mij geplant. Nadien hoorde ik allerlei fusiongroepen.
Van welke ontwikkeling in de jazzgeschiedenis had je onderdeel willen zijn?
Geen enkele andere dan die van mijzelf; de jaren zestig. In 1967 woonde ik het enige concert bij dat Jimi Hendrix in Nederland gaf in een halflege Ahoy’. Ik zou die periode niet willen ruilen met welke andere.
Wat is het bizarste dat je ooit mee hebt gemaakt tijdens een concert?
Met die popgroep die ik noemde, toen we in 1967 voor één concert naar Parijs reden met zo’n golfplaten Citroën HY-busje. De Hammond was mee, wij waren het voorprogramma van The Pretty Things. We speelden een half uur en toen weer terug naar huis.
Waar vind je inspiratie?
Ik luister veel verschillende muzieksoorten en ben ook zeer geïnteresseerd in beeldende kunst. En inspiratie doe ik ook op als ik een betekenisvol concert meemaak.
Wat is het spannendste dat je ooit hebt ondernomen?
Als je met vrije improvisatie bezig bent gebeuren er buiten de muziek niet zoveel spannende dingen. Je bent misschien wat zenuwachtig, speelt en het is over en uit.
Welk muziekstuk of album heeft voor jou een speciale betekenis?
The Inner Mountain Flame van het Mahavishnu Orchestra. Een live uitvoering in het Amsterdamse Concertgebouw was zó fantastisch!
Wat neem je altijd met je mee?
Sowieso nieuwe snaren en gipsy-plectrums. Als die versleten zijn, klinkt je gitaar zo geweldig. Als je elektrisch speelt, komt het geluid uit een luidspreker, akoestisch uit de gitaar. De kwaliteit van het plectrum speelt altijd mee.
Welke actualiteit heeft je aandacht?
Het klimaat en de homo sapiens die er niets van bakt. De mensheid slaat elkaar schaamteloos de hersens in. En is niet in staat de klimaatramp te ‘handlen’. De leefbaarheid gaat rustig achteruit. Het is allemaal heel beklemmend en ja, het zal mijn tijd wel duren. Maar de jongere generaties…
Wie is je grote voorbeeld buiten de jazz?
Morton Feldman, als componist en als denker. Hij heeft veel gezegd over muziek, wat me zeer aanspreekt.
Wat intrigeert je aan je instrument?
De klank, maar ik vind het ook gewoon een mooi ding. Zo’n geval met een steel eraan en wat snaartjes. Een gitaar is zo’n beetje een cello, met dat model ervan.
Wat heb je geleerd van je muziek?
Dat het voor mij noodzaak is en ik me alleen maar kan ontwikkelen via muziek of beeldende kunst. Als je echt wat wilt leren, moet je zorgen dat je je ontwikkelt. Kijk naar Ada Rave, Nico Chientaroli, Onno Govaert, Michael Vatcher, Frank Rosaly, zij zijn altijd maar bezig met doorgroeien.
Wat wilde je vroeger altijd worden?
Bioloog. Omdat ik een leraar had die er fantastisch over kon vertellen. Daarna kwam medicijnen. Uiteindelijk ben ik psychologie gaan studeren. Ik ben veertig jaar werkzaam geweest als psycholoog in het Provinciaal Ziekenhuis Santpoort. In augustus 2013 besloot ik te stoppen, in september zat ik in Zaal 100 en werd zo gegrepen door de muziek dat ik dat zelf ook wilde. Ik ben op nul begonnen met vrije improvisatie.
Wanneer ervaar je de vrijheid te falen?
Altijd. In het begin vond ik het wel eng, maar dat ging snel over. Ik vind het wel een prettig idee dat je een beetje kunt falen. Voor mij is dat eigenlijk een voorwaarde. Als het fout uitpakt? Toppie! Dan is er werk aan de winkel. Angst is een voorwaarde om creatief bezig te zijn. Vrijheid is namelijk uitermate belangrijk.
Welke ontwikkeling in de jazz juich je toe?
Dat er in Amsterdam heel veel jongeren rondlopen die geïnteresseerd zijn in vrije impro. De All Strings Nights leveren telkens zo’n vijf, zes nieuwe jonge mensen af. Waarmee bewezen wordt dat vrije impro niet alleen een hobby is van oudere mensen. Die jongeren zijn allemaal onder de dertig jaar. Het stokje moet worden overgenomen, anders zakt deze muziekvorm weg.
Met wie werk je graag samen?
Met mensen die vrije impro hoog in het vaandel voeren en daarmee ook overweg kunnen. Wilbert (de Joode) en Michael (Vatcher) improviseren op de millimeter. Raoul (van der Weide) is van een heel andere orde, maar heeft dezelfde instelling.
Welke dromen liggen nog voor je?
Gewoon doorgaan zoals het nu gaat. Je spreekt hier met een tevreden mens.
Aan wie geef je het Jazz-tafette stokje door?
Aan Raoul van der Weide. Ik ben inmiddels bevriend met hem en geef het stokje met groot genoegen aan hem door. Raoul heeft openbare aandacht nodig, hij is veel te bescheiden. Hij is altijd van alles aan het regelen en is zodoende al vele jaren onschatbaar voor de scene!



