Gerhard Hormann
En toen was er jazz: van popfanaat tot jazzliefhebber in 12 simpele stappen

[Meppel] : Just Publishers, 2024
239 pag. 
ISBN 978-90-8975-486-8 pbk
Prijs 22 euro

Dit is een merkwaardig boek. Een Nederlandse oud-journalist met een Duitse naam, Gerhard Hormann, liefhebber van rock, met een voorkeur voor harde gitaren, bekeert zich op zijn zestigste tot jazz en legt daar verantwoording van af. En dat gebeurt niet zonder slag of stoot. In de inleiding omschrijft hij het boek als een spannend avontuur, een persoonlijke ontdekkingstocht en een archeologische opgraving.

Hij bezoekt concerten, gemiddeld twee per week, kijkt films en loopt tweedehands platenzaken af. Na twee hoofdstukken weet je het wel en verwacht je nieuwe informatie. Maar dan begint het opnieuw. Hij heeft nog niet een interessante muzikant ontdekt of koopt er stapels cd’s van. Hij heeft de albums van trompettist Peter Protschka oneindig vaak gedraaid, maar anderzijds zou hij bij een blinddoektest vaak geen idee hebben naar welke artiest uit zijn eigen verzameling hij luistert (2x).

Waarom het zo lang geduurd heeft voordat hij zich tot jazz voelde aangetrokken? Hij geeft er geen antwoord op. Het hangt allemaal van de sleutelwoorden toeval en willekeur aan elkaar. ‘Wat het genre de moeite waard maakt, bevindt zich ergens in dat brede spectrum tussen kabbelen [‘bloedeloze cocktailmuziek’, zegt hij elders] en kakofonie, beide feitelijk te beschouwen als uitwassen of zelfs als wildgroei’.

Zijn ommezwaai mag dan nog zo radicaal zijn, op het einde van zijn boek komt toch zijn eerdere liefde om de hoek kijken: ‘De muziek is sinister, duister, monotoon, meer een totaalsound dan een verzameling songs, dreigend, bezwerend, somber. Het lijkt of je naar de doommetalband My Dying Bride zit te kijken …’ of: ‘Wellicht was ik nooit bij dit genre uitgekomen als ik niet ook twintig cd’s in de kast had staan van Tangerine Dream’ [Een Berlijnse elektronische muziekgroep sinds 1967]

Wat zijn verslag extra irritant maakt is de voorkeur voor opeenstapelingen van synoniemen. We lieten hierboven er al enkele staaltjes van zien.

‘Er zit geen grens aan de experimenteerdrift, geen stop, geen noodrem, geen no-go […] Het is bij jazz nooit zomaar meer van hetzelfde. Jazz is nooit saai, nooit platgetreden, nooit veilig, nooit netjes afgebakend, nooit af en nooit klaar.’ En het stikt van de vergelijkingen en metaforen. Alleen al op de pagina’s 215-216 telde ik vierentwintig gevallen van dit soort opgezwollen taal.

Schrijver geeft grif toe dat hij een groentje is, een beginneling. Dat maakt dat we basale fouten tegenkomen. Zo pikte [Charlie] Parker zijn [= Thelonious Monk’s] imago door een baret op te zetten en een bril met een zwaar hoornen montuur. Het nummer ‘Summertime’ is jazz (want afkomstig uit de musical ‘Porgy & Bess’), stride piano klinkt als de voorloper van boogiewoogie. Dat Benny Goodman officieel eigenlijk David Gutman heette, heb ik niet kunnen verifiëren; Collier noch Firestone noemen het in hun biografieën.

Ter verduidelijking: als hij het over pianist Kenny Drew (Jr.) heeft, van wie hij zo’n tien albums in huis heeft, had hij nog nooit van diens vader gehoord. Hoe goed hij junior ook vindt, nu acht hij hem toch een beetje de Maurice Hermans van de pianojazz. Hier refereert hij aan vader Toon Hermans.

Hier en daar zijn er aardige observaties, zoals de jacht op een handtekening, wat een kleinere behuizing doet met je platencollectie en de plaats van vrouwen in de jazz (waarom zie je die op platenbeurzen nooit snuffelen in platenbakken?)

De hoofdstuktitels bestaan uit de jaartallen van de op elkaar volgende decennia, beginnend bij 1915. Het slaat nergens op.

Het is één groot egodocument. ’Dit boek zal ook nooit een bestseller worden, simpelweg omdat je je richt op een piepkleine doelgroep, die mij wellicht ook nog eens zal beschouwen als een nieuwkomer die van niets weet.’ De schrijver zegt het.

Tekst: Jan J. Mulder

 

Advertenties

Advertentie aubergine
jb137 banner
Gif ook schrijven voor jazznu2
TilburgsAns