Mete Erker gelooft nu meer dan ooit in wat hij doet
Europees impressionisme in een wonderlijke mix met de vrije, extraverte jazzmuziek van Albert Ayler en Charlie Haden. Dit alles gezien door ogen van nu. Zo omschrijft tenor- en sopraansaxofonist Mete Erker de muziek die hij heeft uitgebracht op de dubbelelpee ‘Tilburg Noord/Tilburg B-side’ met zijn Trio + 1. Vrijheid en structuur, daarmee presenteert het kwartet zich. Mete Erker laat een deel van zijn zo creatieve leven achter zich om die creativiteit verder te ontwikkelen met drie, bijna even creatieve musici als hijzelf. Persoonlijke verhalen en vrije improvisaties vermengen zich met de pracht die muzikale ontdekking in zich kan dragen. JazzNu ging op bezoek bij deze muzikale meester, nam er de tijd voor en hoopt dat de lezer dat ook doet.
Je bent vaak solist en sideman geweest, en je hebt ook altijd eigen groepen geleid. Wat is voor jou de rode draad? Waar is deze fase waar je nu in zit het antwoord op? Misschien ben je ergens aan toe of wil je een stuk van jezelf laten zien, of doe je nu iets wat je voorheen nog niet gedaan hebt. Kun je daar iets over vertellen?
"De allereerste muziek waar ik voor viel is die expressionistische jaren zestig muziek. Bijvoorbeeld de latere periode van Coltrane, Albert Ayler en Charlie Haden Liberation Music Orchestra. Een soort van combi van traditie en vrije impro zeg maar, maar wel heel bevlogen. Niet zozeer de soort van abstracte, Noord-Europese vrije impro, maar meer vanuit de Amerikaanse traditie. Daar viel ik echt voor.
Ik heb mijn eerste tenor gekocht toen ik zestien was. Toen ging ik voor het eerst naar een jazzconcert in Café Wilhelmina in Eindhoven. Daar speelde David Murray met zijn trio. En dat overdonderde mij. Wat? Kan dit ook?
Ik ben geboren en getogen in Tilburg-Noord. Op m'n elfde ging ik klarinet spelen in de harmonie en fanfare, weet je wel. Op m'n zestiende kreeg ik een cassettebandje met Kind of Blue. Dat was het begin. En een jaar later zat ik op de eerste rij bij David Murray. Toen dacht ik: wow, wat is dit?
Meteen daarna heb ik een tenor gekocht. De Tilburgse scene was een combi van mensen die echt hun instrument konden bespelen en in de traditie doken, maar ook bezig waren met allerlei vrijere vormen. Die combinatie die heeft me altijd getrokken.
Voor veel spelers was Charles Mingus een grote inspiratie, maar ook dat Charlie Haden Liberation Music Orchestra. Als ik één album moet noemen dan is het Ballad of the Fallen van die band. Dát is voor mij waar de Tilburgse muziekscene over ging. Het sloot heel erg aan bij waar ik naar luisterde voordat ik überhaupt in de scene kwam.
Wat maakt dat je daardoor zo gegrepen wordt? Als je het zo uitlegt, dan lijkt de magie van de muziek te zitten in het spanningsveld tussen herkenbare dingen, die al ergens vandaan komen, en tegelijkertijd de vrije vorm. Begrijp ik dat goed, dat je dan eigenlijk het beste van twee werelden op het podium laat ontstaan?
Ik heb geen coherent verhaal in deze, maar het heeft verschillende aspecten. Er is zo'n mooi woord voor in het Engels: unapologetically. Dat voelde ik heel erg, dat de mensen die deze muziek speelden, dat deden uit een soort noodzaak, zonder enige vorm van excuus. Daar zit een vrijheidsdrang in, wat natuurlijk ook voortkomt uit de geschiedenis. En dat is niet alleen black American history, maar uiteindelijk een universele menselijke behoefte om vrij te zijn en jezelf te uiten. Het Liberation Music Orchestra is echt protestmuziek.
Unapologetically: zijn wie je bent. Dat raakte mij heel erg. Ik was zestien, wat wist ik nou. En achteraf gezien kan ik het wel zo verwoorden, maar toendertijd werd ik gewoon compleet meegenomen door die muziek.
Ik vond ook totaal geen leeftijdsgenoten die hiermee bezig waren. Het was niet zozeer een identiteit, maar meer een safe haven, een soort van vrijplaats voor mij. De muziek was een plek van troost en inspiratie. Een soort wereldje. Dan fietste ik door het park met zo'n walkman en een koptelefoon op mijn hoofd op en dan luisterde ik Rip, Rig and Panic van Roland Kirk om een beetje tot mezelf te komen.
Michiel de Ruyter had op een gegeven moment een vier uur durende radio-special over Coltrane. Die heb ik helemaal op cassettes opgenomen, die heb ik nog steeds. Die begon bij Limehouse Blues tot Interstellar Space. Die latere periode greep mij meteen, gek genoeg. En toen mijn vader overleed rond mijn 19e was dat de enige muziek waar ik een soort troost in kon vinden. Dat vind ik eigenlijk wel de magie van muziek, dat iets wat in de jaren zestig aan de overkant van de oceaan gemaakt is door mensen die een heel ander soort leven hebben gehad, die echt een geschiedenis hebben van heb-ik-jou-daar, en hun struggles hebben, dat dat iemand, een zestienjarige uit een buitenwijk van Tilburg, zo diep raakt.
Dat waren echt mijn levenslijnen. Natuurlijk had ik vrienden, maar iedereen kent wel het gevoel dat je gewoon een buitenbeetje bent. Ik heb er geen mooi verhaal bij of zo, zo is het gewoon gegaan. Dat is de grove realiteit. Geen logisch geheel. Het gebeurt gewoon en je wordt daardoor aangezet. En intussen was ik ook fan van Prince, dat ging hand in hand.
Ik vind dat je als tenorsaxofonist een heel herkenbaar en persoonlijk geluid hebt. Dat is op een tenor niet zo makkelijk. Er zijn veel goede saxofonisten, maar er zijn er ook veel die ongeveer hetzelfde klinken. Jij moet een bepaalde band hebben opgebouwd met je instrument.
Aan de ene kant is het inderdaad niet makkelijk, aan de andere kant ook weer wel. Ten opzichte van bijvoorbeeld een trompet of een hobo, heeft een tenorsax een heel wijde range van klankmogelijkheden en een groot bereik. Ook qua klankmogelijkheden: hoe Ben Wester klinkt of Stan Getz of Coltrane of Michael Brecker, dat ligt zo ver uit elkaar. Dus er is heel veel mogelijk. Die voorbeelden die ik noem zijn zo sterk dat het ook heel makkelijk is om de groef van zo iemand in te duiken.
Hoe vind je daar dan je weg in? Want je koopt een tenor, en dan ga je gewoon een beetje aan de slag?
Dat weet ik eerlijk gezegd ook niet. Toen ik die tenor kocht was ik 16 en een jaar later zat ik op de TU in Delft. Daar heb ik twee maanden scheikunde gestudeerd en toen was ik er klaar mee. De rest van het jaar heb ik echt alleen maar geoefend, elke dag. Een groot deel van die tijd was ik alleen met sound bezig. Langzame melodieën, toonladderoefeningen, allemaal langzaam. En proberen om dat instrument te laten klinken. En om zo ontspannen mogelijk te blazen. Daarvoor had ik wel klarinetles gehad, maar op tenor heb ik dat de eerste twee jaar helemaal zelf gedaan. Ik dacht: als ik met zo min mogelijk effort zo'n groot mogelijk effect heb, dan gaat het vanzelf klinken zoals ik. Dus de ontspanning opzoeken en die blaastechniek, daar was ik de hele dag mee bezig.
Ja, wat ik ook heel leuk vind als saxofonist, dat je eigenlijk die hele range van expressie zo extreem goed beheerst. Je kan heel zacht spelen, maar je kan ook echt flink lawaai maken. Je zou kunnen zeggen, een gemiddelde popsaxofonist die speelt altijd op volume 75 en heel af en toe eens op volume 80 en dat is het zo'n beetje. Maar jij kunt fluisteren op volume 5 en je kan ook alles kapot spelen op volume 95 – en dan bedoel ik niet zozeer de hardheid, maar de expressieniveaus.
Leuk dat je dat zegt. Dat is ook altijd mijn focuspunt geweest. En dat zit ook wel een beetje in de Tilburgse School. Als je kijkt naar mensen als Paul van Kemenade en Jeroen van Vliet, die spelen heel erg met dynamiek. Dat is een heel belangrijk expressiemiddel. Na mijn avontuur aan de TU in Delft heb ik een jaar klassiek saxofoon gestudeerd in Rotterdam. Toen drie jaar in Tilburg op het conservatorium, en nog drie jaar in Den Haag. Daar heb ik het afgemaakt. De Haagse school maakt veel minder gebruik van dynamiek, het is een harmonisch-melodisch verhaal dat echt ongelooflijk rijk is. Maar er zijn zoveel parameters in de muziek, het is maar net waar je de focus op legt en ik zat veel meer in de grotere bewegingen. Maar ik ben nog dagelijks bezig met wat ik toen leerde in dat jaar in Delft. Op mijn nieuwe mondstuk met tipopening 6 kan ik eindelijk, na twee jaar oefenen, de toptones eruit krijgen zonder te knijpen. Nu kan ik heel hard spelen en heel zacht.
Wat ik interessant vind aan de scene in Tilburg van destijds is dat iedereen er heel erg persoonlijk in staat. Mensen zoals Jeroen, maar ook Harmen Fraanje en Ferhan Otay, dat zijn allemaal gasten die een bepaald risico nemen. Dat heb jij ook in je spel.
Ja en wat ik ook heel gaaf vind, is dat die mensen niet bang zijn om een hele simpele melodie vol overtuiging te spelen. Waar andere stromingen zich wat meer in technisch complexe muzikale texturen begeven – waar overigens niks mis mee is – is denk ik één van de andere pijlers in de Tilburgse geschiedenis de simpele melodie. Het een soort naaktheid. Je kunt je niet verstoppen achter iets, als jij gewoon heel open en bloot met een groot geluid een hele simpele melodie gewoon neerzet.
Hoe begon dat in de Tilburgse scene voor jou?
Eric van de Westen heeft mij vanaf het begin op sleeptouw genomen. Hij gaf me ook dat cassettebandje van Kind of Blue. En hij nam me mee naar dat concert van David Murray. Hij vroeg me voor zijn bands. Ik dank veel aan hem. In de jaren tachtig en negentig was er ook zoveel te spelen. En hij nam mij gewoon overal mee naar toe. Dus ik heb spelenderwijs, letterlijk en figuurlijk, al die plekken leren kennen en speelervaring op kunnen doen.
Als ik nu was geboren, of nu op het conservatorium zou zitten, denk ik niet dat ik het gered zou hebben. Omdat ik heel veel tijd nodig heb gehad om te geloven in wat ik doe. En om te ontwikkelen wat ik doe. Het level is nu zo ontzettend hoog. Toen waren er gewoon een aantal goede spelers, een aantal bands en heel veel podia. En nu is het andersom.
De band van Paul van Kemenade, waar Eric en Jeroen in speelden, is nog steeds een inspiratiebron. Ik was bij het afscheid vorige kerst. Hij doet dat ding wat hij doet heel erg overtuigend, en al veertig jaar, zeg maar. Dat raakt me. Die uitverkochte avonden in Paradox met die muziek die zo expressief is en zo expressionistisch, dat ga ik nooit meer vergeten. Dat is levens veranderend geweest voor mij. Wat er dan gebeurt in de ruimte, dat is live muziek. Dat is waar live muziek over gaat. Daarom wordt mijn tweede album ook Live in Paradox. Het eerste album is een studioplaat en dit is de andere kant van de medaille. Het is ook veel rauwer, veel slordiger, veel meer rafelranden, maar wel vers van de lever: dit is wat het is.
Jeroen is super belangrijk voor mij geweest. Met hem speel ik al sinds 1989. Mijn eerste bandje, het Erker Quartet, was ook met hem en Eric. Later ben ik in heel veel projecten met hem beland en we hebben een duo gevormd – dat bestaat nog steeds. In februari gaan we een concert opnemen in het MCO in Hilversum voor een nieuw album. De muziek die ik met Jeroen maak, heeft veel van de Noord-Europese impressionistische muziek. Die dromerigheid, leegte, poëzie – als ik met Jeroen speel, de muziek die wij maken, heeft dat heel erg die invloed.
‘En het bijzondere vind ik dat wat ik nu met mijn kwartet doe, is dat die twee werelden waar ik zo door beïnvloed ben, samen komen. Dus ik speel al heel lang met Jeroen, en ik ben al heel lang beïnvloed door die jaren zestig Amerikaanse muziek en nu komt het samen in één band met drie super jonge, geweldige spelers.
Maar die jonge spelers zijn dan niet de safe haven, zoals Jeroen of Pascal Vermeer, ik noem maar wat, met wie je bij wijze van spreken al twintig jaar speelt.
Gek genoeg wel. Terwijl het toch een compleet andere generatie is. We kennen elkaar nog maar heel kort. Maar zij doen me denken aan alles waardoor ik beïnvloed ben. Geweldige instrumentalisten, geweldige improvisatoren. Totaal in de traditie en totaal in allerlei vrije vormen. Ze kunnen heel makkelijk schakelen van het een naar het ander en als ze een richting inzetten zijn ze ook nog heel erg op elkaar ingespeeld, want ze spelen al superlang samen als trio.
Als het een bepaalde kant op gaat, dan ontwikkelt zich dat. Ik hoef eigenlijk bijna niks te doen in die band, alleen mijn eigen spel spelen en sensitief zijn met wat er achter en om mij heen gebeurt. Met dit trio gaat het altijd ergens heen. Dat is echt bijzonder. En dat is ook wel nodig, want de stukken die ik meeneem, zijn heel simpel qua structuur. Dan moet je dus mensen hebben die de structuur kunnen maken op het podium.
‘Simpel’ zegt iets over de constructie. Maar juist het invullen ervan, hoe je die ruimte gebruikt en die tijd invult, dat is waar the magic happenstoch?
Ja dat klopt, het is heel moeilijk om op basis van één melodie een hele boog te trekken van zeven minuten.
Toch lukt je dat heel goed.
Ja, maar wel bij de gratie van deze spelers. Ik ben er nu zelf aan toe, omdat ik zelf nu meer dan ooit geloof in wat ik doe. En ik heb dus mensen ontmoet die dit gewoon kunnen.
Wat heb je onderweg nodig gehad om dat te gaan geloven?
Ouder worden. En al zo lang allerlei verschillende dingen doen. En op een gegeven moment steeds meer erachter komen dat ik steeds smaller moest maken waar ik mee bezig ben.
Ik ben ook gewoon begonnen met bruiloften. Dan speelde ik eerst een avond in het Bimhuis en de volgende dag stond ik ergens op een witte kubus met een DJ mee te spelen. Ik ben heel blij met al die ervaringen. Maar in de loop van de jaren voelde ik steeds meer van: dit hoort niet meer bij mij. En dan de volgende vraag: wat dan wél?
Jeroen en ik zijn een duo, maar in dit kwartet ben ik echt bandleider. En dat heb ik altijd eng gevonden. Maar nu ben ik al zo lang bezig met het ontwikkelen van mijn eigen spel dat ik – ik weet niet waarom – er nu aan toe ben.
Je vindt het eng, zeg je, maar het valt nu wel allemaal mooi op z'n plaats.
In 2000 heb ik de VIP-tour gedaan, met Harmen Fraanje, Gulli Gudmundsson en Thorsten Grau. Tijdens die tour – ik kan het me nog zo goed herinneren – was ik echt overwhelmed. Maar nu ben ik alleen maar met die muziek bezig. En ik maak me niet druk over waar het naartoe gaat. Ik volg waar het naartoe gaat. En dat lukt me nu. En twintig jaar geleden lukte me dat veel minder goed – om een heel concert te vullen.
Hoe werkt dat?
Je kent dat wel, dat je zo zelfbewust kunt zijn en dan blokkeert alles.
Als ik je goed begrijp, komt die verandering vooral omdat je jezelf toestaat om het gewoon te doen en dan te laten gebeuren?
Precies, nu sta ik het mezelf toe. Ik voel dat ik er nu pas echt klaar voor ben om echt op dat podium te staan en te laten gebeuren wat er ook maar gebeurt.
Als je Charlie Haden beschrijft dan gebeurt er iets, dan is er iets waardoor jij als luisteraard gegrepen wordt. En nu ben je zelf een soort doorgeefluik geworden voor die enorme expressie. Terwijl je als persoon niet iemand bent met een hele grote mond. Je bent bescheiden en zorgvuldig, je neemt niet zo gauw te veel ruimte in als persoon. Je hebt een enorm ontzag voor de muziek. Ik zie nul ego.
Ik vind het mooi dat je het zegt. Ik heb beide kanten in me. Ik kan ook superdominant zijn. Maar een grote mond om het grote mond hebben, dat is niet iets wat ik doe, nee. Ik weet ook niet of ik een doorgeefluik ben, maar ik probeer op die manier op het podium te staan.
Je beschrijft ook wat livemuziek voor jou is, wat je zelf bij Paul van Kemenade hebt ervaren door in de zaal te zitten en met hem op het podium te staan. Het gevoel van: dit is het. En dan speel je nu zelf in Paradox waarbij mensen ook zo enorm kunnen reageren daarop. Dat is ook uniek aan de plek. Een soort vangnet: je voelt je er thuis, je voelt je er veilig. Dat lijkt nu ook heel erg op zijn plek te vallen. Klopt dat?
Dit soort muziek is volgens mij echt ontstáán in een kleine club. En niet voor niks. Er zit inderdaad een hele directe wisselwerking tussen de ruimte en het publiek. Ik zag laatst weer de band van Branford Marsalis in de jaren negentig, met Kenny Kirkland, ze spelen live in Newport, net als de band van Michael Brecker. Overdag, terwijl het publiek daar in zwembroek staat. Op zo'n podium in de buitenlucht. Nul sfeer. En ze spelen echt fucking goed. Echt buitenaards. Dan denk ik: hoe dan? Ik stel me voor dat ik daar zou staan. Ik zou me echt helemaal verloren voelen. Wat doen zij dan om die bezieling in zo'n situatie te vinden? Ik kan niet anders concluderen dan dat ze naar binnen gaan in een soort wereld, en ook als band met z'n vieren. Wayne Shorter zei dat ook over zijn tijd bij Weather Report. Dan zat Zawinul op die prakken (rechthoekige podiumdelen die als verhoging op het podium kunnen worden bijgezet, red.), een soort spaceship, en dan had je Pastorius. En Shorter staat daar dan in het midden met zijn saxofoon. Hij zei: ik maak gewoon een bol om me heen. Dat is mijn universum. En vervolgens speelt hij zo’n ontzettende sopraan-noot op het juiste moment. Dat is heel speciaal.
Wat ik nu aan het ontdekken ben, is om het in die clubs te kunnen laten gebeuren, om met z'n vieren in een soort vibe terecht te komen. Maar ik hoop dat ik zoiets ooit ook eens op grotere podia zal kunnen. Een soort focus, dat áls het gebeurt, de muziek gaat stromen. Als je in een grote zaal zit en het gebeurt echt op het podium, dan wordt die zaal ineens tien keer zo klein. Het is moeilijk om dit in woorden te vatten.
Heb je qua tenorgeluid nog een voorbeeld?
Ik vind ze allemaal mooi. Ik ben nu bezig met die solo van George Coleman op My Funny Valentine met Miles Davis in 1964. Hoe hij daar gewoon over de akkoorden heen glijdt. Alles is zo helder en het is zo'n verhaal. Ongelooflijk. En die band speelt natuurlijk ook waanzinnig. Maar hoe Miles dat thema speelt, dat inspireert me misschien nog wel meer als het over sound gaat. Gewoon heel sec, met weinig vibrato. Als ik sopraan speel, maar ook als ik tenor speel, dan moet ik daar vaak aan denken. Hoe hij het echt néérzet. Maar ik hou dus ook erg van Roland Kirk, dat hij met veel vibrato helemaal door die toeter heen blaast. Of Rollins in de jaren zestig, die solo's van veertig minuten speelt op Three Little Words. En die toeter bijna opblaast. En de andere kant van de medaille is voor mij Paul Desmond. Net als Stan Getz, met dat zijde-achtige geluid, dat inspireert me ook heel erg. Allemaal uitersten.
Ik heb lang les gehad van John Ruocco. Hij was eigenlijk heel open minded. En harmonisch en melodisch ongelooflijk, echt de top. Hij conceptualiseerde alles. Dus als ik bij hem kwam met een simpele vraag dan ging hij hele schema's maken. Ik kon daar toen niet mee omgaan.
Wat grappig, ik herken het omdat ik ook drie jaar les van John Ruocco heb gehad. Maar ga verder.
Ik trok het niet, maar toch heeft hij een grote invloed op me gehad. Dan ging hij in de les steeds mondstukken en rieten op de hak nemen. Hij knipte z'n riet doormidden en dan toch erop spelen. Of een zakdoek om z'n mondstuk doen, daar het riet op, en dan spelen. Gewoon van: het maakt geen reet uit. En toen zag ik hem spelen in Café de Voortuin in Tilburg. Daar heb ik het meeste van geleerd. Hij klonk vooral als John Ruocco, maar channelde hij Coltrane, dan klonk hij ook echt als Coltrane. Dan weer Stan Getz of Rollins. En die tenor klonk elke keer compleet anders.
Welke rol speelt het Artvark Saxofoonkwartet in jouw muzikale ontwikkeling?
Artvark is een apart hoofdstuk. Dat is een collectief van vier totaal verschillende mensen. Persoonlijk, maar ook muzikaal. We zijn een soort van venndiagram waarin we ons op de overlappende delen begeven, maar dat is dus maar een deel van mij. Wat ik inbreng is een deel van het geheel. Een deel van een deel dus. Waar dit over gaat, ook door de vorm natuurlijk, is dat je letterlijk tegelijk ademt. Het is één adem. Dus je moet elkaar opzoeken. Vier mannen met een saxofoon. En dat vind ik het mooie aan Artvark, vier toeters die elkaar vinden.
Kun je daar artistiek je ei in kwijt? Heb je invloed op het repertoire? Schrijf je zelf arrangementen?
Totaal. We doen het echt met z'n vieren op alle vlakken. Ook het schrijven en de artistieke bepaling. Maar het blijft een compromis – al heeft dat een wat negatieve klank. Ik bedoel: het blijft een overlappingsgebied. De hele jaren zestig muziek waar ik het over had, of ook die Noord-Europese impressionistische impro, die vrijere vormen, dat zijn allemaal dingen die ik daar niet in kwijt kan. Wat wél zijn het dynamisch bereik van spelen, en de verschillende kleuren op mijn saxofoon. Binnen mijn solo’s probeer ik wel mijn spel te spelen.
Het is gaaf en het heeft ook beperkingen. Misschien wel daarom.
Juist door die beperking komen we op dingen die we van tevoren niet gedacht hebben. Dus het is ook wel heel wat om als saxofonist de hele tijd te spelen. Gewoon twee sets non-stop spelen, dat is ook te gek. En verantwoordelijk te zijn voor alles: ritme, harmonie, al die dingen. Je moet blenden. Ik zie het als een vierkoppig monster. Dat groepsgeluid kneden we met z'n vieren.
Wat is voor jou de volgende stap?
De vinyl-release en de optredens in Paradox en in het Bimhuis zijn samen een belangrijke stap. In het najaar wil ik een tour organiseren en weer een nieuw album maken. Precies zoals ik het heb gedaan met het studioalbum. Wij hebben drie uur gespeeld in de studio, in één ruimte. Dat is het. Ik had een hoop stukken meegenomen en daar hebben we drie setjes van gemaakt en dat hebben we gespeeld. Wat er gelukt was, is het album geworden. Dat wil ik vaker doen. Kijken waar die band heen gaat. Hoe vrij het gaat worden.
Je praat over de band alsof het een wild paard is: ik stap op en ik ga een avontuur beleven. Je weet niet wat er gaat gebeuren. En tegelijkertijd weet je het wèl. Want je regisseert de mensen, de plek, de stukken.
Ja grappig, dat is ook echt waar. Net als Wouter Kühne. Fantastisch drummer. Je kunt wel tegen hem zeggen: daar zou je zus en zo kunnen doen – maar dat doet hij gewoon niet. Hij gaat zitten en spelen, hij komt uit waar hij uitkomt. Dus als ik het wil regisseren, kan ik hooguit een paar concrete aanwijzingen geven zoals: ‘Hier geen akkoorden, maar alleen abstracte klanken.’ Maar ik wil eigenlijk steeds minder zeggen.
Je daagt elkaar uit en als je op het podium staat of de rode lamp brandt, dan wil je dat het gebeurt.
Ja en het is lullig als het niet gebeurt. Dan heb je niks om op terug te vallen. Daardoor word ik soms toch weer verleid om aanwijzingen te geven of een soort arrangement te maken of een soort van vorm – jij vroeg me naar de volgende stap. De volgende stap is om dát ook eens los te laten. Gewoon die ene melodie meenemen en dan: let's go.
Ik zal altijd iemand zijn die de setlijst maakt. Dan heb ik bijvoorbeeld zo'n heel open deel en dan wil ik daarna gewoon Moonlight In Vermont, alleen het thema. Iets heel concreets. Zo ben ik met die setlijst bezig. Ik wil het publiek erbij houden, zeg maar. Dat gebeurt als je een hele goede, vrije impro hebt, dan gebeurt dat sowieso. Maar ik hou ook van die contrasten, ook omdat ik van zoveel verschillende soorten muziek hou. Ik vind het geweldig om dat soort dingen te doen. Of een vrije impro die uitkomt in een heel uitgeschreven ding, Een combi van gestructureerd en open, dat heeft mij van begin af aan gegrepen. En dat is ook een deel van de Tilburgse School.
Wat me fascineert is hoe relaxed je kunt zijn met het niet-weten. Weinig mensen zijn daar zo vertrouwd mee als jazzmusici. Je gáát gewoon en dan zie je het wel. Hoe kijk jij daarnaar?
Het is een open deur: je moet eerst al die kilometers maken op elk vlak, op je instrument, in de muziek, in allerlei situaties, live situaties, studiosituaties met verschillende mensen. Dus dat is één. Dus je bouwt echt dat palet op waar je vervolgens mee gaat schilderen. Zomaar iets doen is niet zomaar iets doen, dat is gebaseerd op al die dingen. De fase waarin ik nu ben – en dat heeft te maken met erin geloven – is leren accepteren als het niet werkt op een podium. Ik vind dat heel moeilijk, dan sla ik dicht. Dus ik wil er naartoe dat het mag mislukken. Rücksichtloze acceptatie. Als er iemand in de zaal zit die ik waardeer, en het gebeurt niet op het podium, dan ga ik kapot vanbinnen. Dan denk ik: shit, dit was hem niet. Dan ben ik bang om afgemaakt te worden.
Vanuit de zaal ben je getuige van een worsteling en dan is hóe iemand de struggle overwint juist zo interessant. Heb je dat met je kwartet ook? Of is er op een moeilijk moment altijd iemand die een touw uitgooit of iets bedenkt. Met zo’n band kún je toch bijna niet kopje onder gaan, lijkt mij. Daar is de band te goed voor. Je zegt eigenlijk: ik heb jaren getraind om voorbereid te zijn op deze fase van mijn artistiek ontwikkeling. Klopt dat?
Ik ben daar echt nog middenin. Tijdens de concerten en studiosessies gingen we door al die fases heen die jij nu beschrijft. Je valt en je staat weer op. Dat is precies dat unapologetically jezelf zijn – waar ik het over had. Dit is wat het is. Als je op zo’n moment van binnen jezelf gaat afmaken, dan blokkeert de muziek. En dat voelt het publiek ook. Dus in die fase ben ik nu, om dat stemmetje, als dat gebeurt, opzij te schoppen. Weg ermee.
Bedoelde je dat ook, toen je sprak over je tournee in 2000? Dan is je ontwikkeling als mens daar niet los van te zien. Dat je nu dus als mens ook verder bent dan 25 jaar geleden.
Ja, ik ben 54. Zo is het gewoon. Sommige mensen hebben het al op hun 24ste goed voor mekaar – gek genoeg. Ik niet. Ik heb daar al die tijd voor nodig gehad.
Dat is toch prachtig. Dat is waar we nu van kunnen genieten als je gaat spelen. Ik bewonder dat enorm en ik vind het heel tof dat je het publiek daar deelgenoot van maakt. Dat is een enorm cadeau voor de Nederlandse muziek.
Ja, heel leuk. Ik heb het gevoel dat dit de eerste keer is dat ik het echt ga doen.”
TOM BEEK
'Tilburg Noord/Tilburg B-side' wordt vertolkt door Mete Erker op tenorsaxofoon, Floris Kappeyne op piano, Tijs Klaassen op contrabas en Wouter Kühne op drums.



