JAZZ-tafette

Loek Dikker (rondetijd 6.28,29)

Ben van den Dungen, de vorige stokjesdrager van deze rubriek, wees voor de maand oktober saxofonist Leo van Oostrom aan. Maar daar haalde JazzNu bij wijze van grote uitzondering, bakzeil. Van Oostrom meldde geen behoefte te hebben aan publiciteit. Kán natuurlijk. Maar of hij dan zo vriendelijk wilde zijn een andere stokjesdrager aan te wijzen? Dat werd Loek Dikker. Pianist en verhalenverteller van beroep. In beide hoedanigheden gepokt en gemazeld door de tijd. Met zijn pianospel heeft hij immers een fundamentele bijdrage geleverd aan het milieu van jazz- en vrije improvisatie; zijn vele wereldreizen doen hem overlopen van verhalen en indrukken. Zóveel, dat binnen het afgebakende concept van deze rubriek 95 procent ervan in de ijskast moest. Maar wie weet komen ze nog eens van pas. Wie wat bewaart, heeft immers wat…

Loek Dikker (77) is een autoriteit op het gebied van filmmuziek. Doordat hij in de jaren zestig en zeventig veel jazzconcerten gaf in Duitsland, ontmoette hij filmmakers als Werner Herzog en Rainer Werner Fassbinder. Hij verbleef enige tijd in Hollywood vanwege het componeren van filmmuziek. Hij ontving daar verscheidene prijzen voor. Zoals voor ‘Rosentrasse’ uit 2004 van Margarethe von Trotta – waarvan de muziek werd gespeeld door het Radio Filharmonisch Orkest onder directie van Jaap van Zweden.  Daarvoor kreeg hij in Italië de CineMusic Award 2004 voor beste Europese filmmuziek. Voor ‘De Vierde Man’ van Paul Verhoeven had hij in 1983 al een Nederlandse onderscheiding ontvangen en een Gouden Kalf in 1990 voor zijn gehele oeuvre, dat in feite toen nog moest beginnen. In 1992 nam hij in Hollywood de Saturn Award voor de horrorfilm ‘Body Parts’ in ontvangst. In die stad werkte hij onder andere met de producenten Aaron Spelling en Joel Schumacher.

Loek Dikker: "Ik denk er over na als ik straks tachtig jaar mag worden een aantal concerten te organiseren met jazzstukken die me dierbaar zijn."
Loek Dikker: “Ik denk er over na als ik straks tachtig jaar mag worden een aantal concerten te organiseren met jazzstukken die me dierbaar zijn.”

Waar ben je op dit moment mee bezig?
De afgelopen vijftien jaar heb ik me vooral bezig gehouden met de belangen van mediacomponisten. In 2005 vormden zij al de grootste beroepsgroep. Ik heb een jaar later het Muziekinstituut MultiMedia opgericht, samen met Bob Zimmerman en Rens Machielse. Dat werd een lange mars door de instituties. In 2011 resulteerde dat in drie bestuurszetels bij Buma/Stemra. In de Covid-19-periode van 2020 hebben we het on-line media music magazine Private Kitchen opgericht. Dat handelt over Nederlandse mediacomponisten en is inmiddels vijf keer verschenen. Op dit ogenblik ben ik mijn bestuurlijke activiteiten aan het afbouwen. Mijn voorzittersfunctie heb ik na vijftien jaar overgedragen aan Rens Machielse. Nu richt ik mijn focus weer meer op de muziek, hoewel ik altijd wel ben blijven doorspelen. Ik denk er over na als ik straks tachtig jaar mag worden een aantal concerten te organiseren met jazzstukken die me dierbaar zijn. Die wil ik dan uitvoeren met Leo van Oostrom. Mijn duo met violist Friedmar Hitzer, met wie ik door corona op 8 maart 2020 voor het laatst speelde, ga ik weer opstarten. En ik ga weer spelen met het trio met Pierre Courbois en Leo van Oostrom.

Welke herinneringen aan je carrière zijn je het dierbaarst?
Het concert in het Public Theater in New York. In 1980 speelde ik daar met mijn Waterland Ensemble. Philip Wilson en wij traden er op. Joseph Papp, een grote Broadway-producent van het New York Shakespeare Festival in The Park had een fles champagne met zijn kaartje in mijn kleedkamer laten zetten. De fles is leeg, het kaartje heb ik nog altijd. In 1959 begin ik als jazzpianist, eenentwintig jaar later geef ik in het New Yorkse theater van deze grote producent een nachtconcert!

Waarom doe je graag wat je doet?
Dat is een goeie vraag. Ik stel hem zelf ook, maar heb het antwoord intussen altijd verre van me gehouden. Ik weet nog dat ik moest besluiten wat ik zou gaan doen met mijn leven. Op 22 februari 1959 zag ik op tv een dubbelconcert van Sonny Rollins en Horace Silver. Ik werd meegesleurd in de enorme maalstroom van hun muziek. Alle muziek die ik daarvóór hoorde was verdwenen. Na zes weken op het conservatorium te hebben doorgebracht, werd mij duidelijk dat ze me daar wilden opleiden tot Mozart-pianist. Dat wilde ik niet. Ik ben er nooit meer terug gekeerd. Ik ben autodidact. Ik wist niet wat ik toen moest, wel besefte ik dat ik het allemaal zelf moest doen.

Wanneer is je passie voor jazz ontstaan?
Die middag in 1959 met Rollins en Silver. Ik wist: dít is het moderne levensgevoel. Het was hét moment in mijn leven. Ik studeerde later rechten, begon wat te verdienen in de muziek en dacht: het wordt de muziek.

Loek Dikker: "Na zes weken op het conservatorium te hebben doorgebracht, werd mij duidelijk dat ze me daar wilden opleiden tot Mozart-pianist. Dat wilde ik niet."
Loek Dikker: “Na zes weken op het conservatorium te hebben doorgebracht, werd mij duidelijk dat ze me daar wilden opleiden tot Mozart-pianist. Dat wilde ik niet.”

Van welke ontwikkeling in de jazzgeschiedenis had je onderdeel willen zijn?
Een grote bloeiperiode in de jazz was het post-boptijdperk met mensen als Horace Silver, Art Blakey, Benny Golson en Miles Davis. Dit is de klassieke periode van de jazz vanaf midden jaren vijftig. Dat gevoel van ‘klassiek’ sprak me aan, mede door de discipline die van je werd verwacht. Alles wat daarna kwam, zat er al in opgesloten.

Wat is het bizarste dat je ooit mee hebt gemaakt tijdens een concert?
Dat was in George’s Jazzcafé in Arnhem. George had niet zo’n gevoel voor onderhoud. Die dag zei hij heel trots dat de pianostemmer was geweest en veel had gerepareerd. Tijdens het concert viel toets G1 uit en kort daarna nog een paar binnen het eerste octaaf. Op zeker moment werkte het octaaf helemaal niet meer. Maar je hoorde nog wel een soort geplok. Dat ben ik gaan gebruiken, als bongo’s, het publiek bestierf het, lachte zich dood.

Waar vind je inspiratie?
Dit hangt bij mij af van wat ik nodig heb. Bij componeren voor film moet je een ongelooflijke hoeveelheid gespecificeerd werk verzetten. Toen ik werkte aan Body Parts (Hollywoodfilm uit 1991, rvdh) had ik op zeker moment nog anderhalve dag voor de deadline. De titelmuziek had ik nog niet, wel de thema’s, maar ook weer niet de manier hoe ik ze zou toepassen. ’s Avonds laat –  ik had vanaf negen uur ‘s morgens aan mijn schrijftafel gezeten – dook ik een kroeg in en dronk een, twee drankjes. Ik liet mij opnemen in de energie van de late avond. Ik maakte er mijn hoofd leeg, maar onderging ook een soort ruis waarin vormen konden ontstaan. Tegen middernacht fietste ik naar huis en wist ineens wat ik ging doen. Ik had het rumoer van menselijke actie nodig gehad. Maar ja, wat is nou eigenlijk inspiratie? Bij mij komt het bijna altijd van mensen vandaan.

Wat is het spannendste dat je ooit hebt ondernomen?
Begin jaren zeventig was ik geïnteresseerd in plekken waar mensen niet kunnen leven. Ik ging op wandeltocht in Noorwegen met twee anderen en we vertoefden ver boven de boomgrens. Er waren nauwelijks gemarkeerde sporen. We liepen een kloof in die steeds nauwer werd. Uiteindelijk kwamen we op een pad naast een steile wand, terwijl beneden een rivier raasde. Ik dacht: nu moeten we terug. De derde man was achtergebleven, we riepen, maar hij gaf geen antwoord. Waarop we dachten maar naar boven zien te komen. Ik klom als eerste, de tweede man kwam achter me aan. Toen hij bijna boven was pakte ik zijn hand om hem omhoog te trekken. Toen brak een stuk rots, maar in één beweging trok ik hem omhoog. En die derde man? Die kwam uiteindelijk ook naar boven.

Welk muziekstuk of album heeft voor jou een speciale betekenis?
Een EP-tje van Horace Silver, waarop Doodlin’ en The Preacher staan. Maar ook Legrand Jazz (plaat uit 1958, rvdh) van Michel Legrand met een big band met daarin onder andere Miles Davis en John Coltrane. Legrand doet daar iets met de arrangementen dat  mij erg aanspreekt. Het stuk Django van John Lewis, de manier waarop Michel met de muziek omgaat…

Loek Dikker: "In politiek opzicht vraag ik me af hoe het mogelijk is dat er de wens is om te verduurzamen en de wil om wat te doen aan het klimaat, zonder te beseffen dat windmolens en zonnepanelen dingen zijn uit het jaar nul."
Loek Dikker: “In politiek opzicht vraag ik me af hoe het mogelijk is dat er de wens is om te verduurzamen en de wil om wat te doen aan het klimaat, zonder te beseffen dat windmolens en zonnepanelen dingen zijn uit het jaar nul.”

Wat neem je altijd met je mee?
Naast mijn goede humeur heb ik binnen- en buitenshuis altijd in mijn zak: een pinpas, een OV-kaart, mijn rijbewijs, corona-QR code en een paar bankbiljetten. Daarnaast heb ik buitenshuis en buitengaats vrijwel altijd ook een rugzak bij mij, voor eventuele boodschappen en aankopen. Daarin bevindt zich ook een kleine voorraad reisbenodigdheden zoals een NL ID pas, EHBO-voorzieningen, een papieren meetlint, een als zodanig onherkenbare schroevendraaier en doekjes voor de bril, een tandenborstel, mondkapje, schrijfgerei, een vintage telefoon en dergelijke. En natuurlijk de amulet die ik lang geleden van mijn jongste dochter kreeg. Als ik die rugzak bij me heb kan ik moeiteloos een paar weken van huis blijven.

Welke actualiteit heeft je aandacht?
Ik volg het nieuws op de voet met twee papieren kranten en een digitaal abonnement op Het Financieele Dagblad. Ook Elsevier lees ik. Ik vind het heel spannende tijden waarin we leven. Waarden staan sterk op de tocht. In politiek opzicht vraag ik me af hoe het mogelijk is dat er de wens is om te verduurzamen en de wil om wat te doen aan het klimaat, zonder te beseffen dat windmolens en zonnepanelen dingen zijn uit het jaar nul. Ik ben stomverbaasd dat er geen gebruik wordt gemaakt van hedendaagse ontwikkelingen. De enige oplossing is kernenergie. Punt twee is dat mensen niet in de gaten hebben dat alle maatregelen geen enkele zin hebben door de toename van de wereldbevolking. Die toename wordt gesteund door industriële groepen die alleen maar in groei geloven. Doordat ze daarvan leven zullen ze nooit toegeven dat groei funest is. Dat ze daar de consequenties niet uit willen trekken!

Wie is je grote voorbeeld buiten de jazz?
Ik denk dat ik geen voorbeelden heb. Ik vind net als de titel van dat boek dat de meeste mensen deugen (Loek Dikker verwijst naar het boek De meeste mensen deugen van Rutger Bregman, rvdh). Voorbeelden in je leven verschillen heel erg per levensfase, zo krijg je telkens nieuwe helden.

Wat intrigeert je aan je instrument?
Eigenlijk hoe je een slaginstrument aan het zingen krijgt. Dat is het grootste compliment aan de piano.

Loek Dikker: "Nu de BIM zich heeft aangesloten bij de NTB/Kunstenbond, blijkt dat een hele goede keuze. Zonder hen redden ze het niet."
Loek Dikker: “Nu de BIM zich heeft aangesloten bij de NTB/Kunstenbond, blijkt dat een hele goede keuze. Zonder hen redden ze het niet.”

Wat heb je geleerd van je muziek?
Vooral als je improviseert, is dat een bron van zelfkennis. Ik heb geleerd, net als vele anderen, dat je van alles in huis hebt: liefde, agressie. Als je dat in de muziek vorm geeft, vertaalt zich dat in iets anders, in energie. Bepaalde krachtexplosies kun je muzikaal zo vertalen dat je ze niet als agressie beleeft, maar als energie-output.

Wat wilde je vroeger altijd worden?
Daar heb ik nooit zo over nagedacht. Net als alle kleine jongetjes wilde ik bij de politie of brandweer of voetballer worden. Maar toen ik op negenjarige leeftijd bij het voetbal een been brak, vond ik het wel welletjes.

Wanneer ervaar je de vrijheid te falen?
Nooit. Ik voel me daar niet vrij toe, maar accepteer het wel. Als iets niet gaat omdat het gewoon niet lukt, verbaast het me ook niet. Ik vergelijk het met iemand met uitgebreide verbale eigenschappen. Je denkt: met hem wil ik wel omgaan. Maar later blijkt het een oplichter. Ik vind dit hetzelfde als falen. Ik heb geleerd te accepteren dat dingen zich voordoen, zonder dat je er invloed op kunt uitoefenen. Ook heb ik geleerd dat iemand voor zichzelf moet kunnen zorgen. Ik denk dat ik de dingen die ik nu doe, beter kan dan veertig jaar geleden.

Welke ontwikkeling in de jazz juich je toe?
Dat de BIM een nieuw leven is begonnen. Ik was in de jaren zeventig mede-oprichter van de BIM en van het Bimhuis. De jazz is de afgelopen decennia – meest door onderlinge conflicten – helemaal op een zijlijn geraakt. Financieel zowel als organisatorisch. Een van de belangrijkste ontwikkelingen van dit moment is dat de BIM heeft besloten dat hij te klein is om zichzelf te redden. In het begin van zijn bestaan werd gesteund op mensen als Hans Dulfer, Willem Breuker en mij. Nu de BIM zich heeft aangesloten bij de NTB/Kunstenbond, blijkt dat een hele goede keuze. Zonder hen redden ze het niet. Wat er zich de laatste tijd met de coronasteun en het nieuwe jazzplan heeft ontwikkeld, komt voor een groot deel op rekening van de Kunstenbond.

Loek Dikker: "Ik heb geleerd te accepteren dat dingen zich voordoen, zonder dat je er invloed op kunt uitoefenen."
Loek Dikker: “Ik heb geleerd te accepteren dat dingen zich voordoen, zonder dat je er invloed op kunt uitoefenen.”

Met wie werk je graag samen?
Met Friedmar Hitzer, Pierre Courbois, Leo van Oostrom en bepaalde filmers. Met Peter Delpeut heb ik drie films gedaan, Rens (Machielse) en Bob Zimmerman doen het heel goed bij Muziekinstituut MultiMedia!

Welke dromen liggen nog voor je?
In het Public Theater in New York dacht ik dat er zeker een droom was vervuld. Ik heb een paar keer een kans gekregen om voor opera te componeren. De eerste keer – in Berlijn met Harry Kupfer van de Komische Oper – heb ik die laten schieten, vanwege de aanbieding om in Hollywood te werken. Daarna had ik een afspraak met een theater in Moskou, maar dat ging voorbij omdat de verhouding Rusland-Nederland steeds slechter werd. Ik besefte heel snel dat ik dan in het kleine boekje van Poetin terecht was gekomen. En toen kwam de ramp met de MH-17 en ging het hele project niet door. Nu gaan we kijken of we iets als een opera alsnog tot stand kunnen brengen.

Aan wie geef je het Jazz-tafette stokje door?
Aan Pierre Courbois. Pierre en ik hebben veel voor elkaar betekend. Soms is dat moeilijk te erkennen, maar het is wel zo. Bij mij leerde Pierre nieuwe versies van improvisatiemuziek kennen. Puszta-jazz noemde hij dat soms. En via Pierre speelde ik in Duitsland met Gunter Hampel (Duitse multi-instrumentalist en componist, rvdh) en zo leerde ik Duitse filmmakers kennen en schreef ik later muziek voor hun films.

RINUS VAN DER HEIJDEN
Foto’s GEMMA KESSELS

 

WWW . LOEK DIKKER . NL

 

Previous post

Met Trifid muzikaal over de Melkweg navigeren

Next post

Vibrafoon Vincent Houdijk vrijt met fagot en handpans

No Comment

Leave a reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *