JAZZ-tafetteuitgelicht

Simon Rigter (rondetijd 4.58,15)

Na een korte onderbreking vanwege de Covid-19-perikelen zet JazzNu de serie JAZZ-tafette weer voort. Met in de schijnwerper tenor- en altsaxofonist Simon Rigter. De 47-jarige jazzmusicus is niet alleen uitvoerder, maar ook een uiterst bekwame en geliefde docent. Diverse jonge musici aan wie JazzNu de afgelopen tijd aandacht besteedde, staken onafhankelijk van elkaar de loftrompet over Simon Rigter. Op zijn beurt spreekt de saxofonist en docent welhaast eerbiedig over mensen uit het recente jazzverleden die een enorme invloed op hém hebben gehad. Met Ferdinand Povel en John Ruocco voorop. Die overigens moeten  wedijveren met de vader van Simon, Bob Rigter. Bij leven ook een bekende tenorsaxofonist. En de les van Frans Elsen, met wie hij eens over straat liep toen die zei: “Het enige wat jullie moeten doen is mooie muziek maken”, heeft hij voor honderd procent ter harte genomen. Daar voegt hij graag zijn eigen ervaring aan toe: “Je hoeft niet steeds iets nieuws te verzinnen. Het moet vooral spontaan zijn.”

Simon Rigter: "Ik doe nu wat met Moving Motives, mijn boek dat gaat over hoe je toonladders kunt oefenen."
Simon Rigter: “Ik doe nu wat met Moving Motives, mijn boek dat gaat over hoe je toonladders kunt oefenen.”

Waar ben je op dit moment mee bezig?
Ik heb door corona natuurlijk weinig gespeeld, af en toe met het Jazz Orchestra of the Concertgebouw (JOC). Ik doe nu wat met Moving Motives, mijn boek dat gaat over hoe je toonladders kunt oefenen. Daarin leg ik bepaalde ‘tools’ uit. Het boekje was al af, ik doe nu nog wat aanpassingen. Ik breng het uit in eigen beheer, maar het zou natuurlijk ook via een uitgever op de markt kunnen komen. Ik wil het na de kerstvakantie af hebben en het voor de zomer uitbrengen. Het is zowel fysiek als digitaal voor iedereen te koop. In het Engels.

Welke herinneringen aan je carrière zijn je het dierbaarst?
Ik heb zeer goede herinneringen aan een tour die we met Three Tenor Case hebben gedaan. Drie tenoren, Ferdinand Povel, Sjoerd Duikhuizen en ik plus ritmesectie, Cees Slinger, Frans van Geest en Eric Ineke. Ferdinand is altijd een rolmodel voor mij geweest en heeft een enorme invloed op mijn spel gehad. Daarnaast zijn de herinneringen aan mijn vader mij uiterst dierbaar. Hij is in februari 2017 overleden. Hoe ik als jong ventje met hem concerten bezocht, tot diep in de nacht mee mocht naar zijn optredens en later onze optredens samen.”

Waarom doe je graag wat je doet?
Muziek is voor mij absoluut fascinerend. Ik heb er zoveel ontdekkingen in gedaan. Ik ben er een soort zoektocht mee aangegaan. Als kind al en dat is nooit veranderd. Ik ben ervan overtuigd dat ik daardoor nooit uit ontwikkeld raak. Lesgeven levert me eveneens veel, ook op andere vlakken. Daarom is lesgeven echt een passie van me; ik geef hoofdvak saxofoon en ensemblelessen; theorie en praktijk voor alle instrumenten.

Wanneer is je passie voor jazz ontstaan?
Ik ben opgegroeid met muziek. Dankzij mijn vader Bob hoor ik vanaf mijn geboorte al muziek. Ik luisterde altijd naar mijn vader als hij aan het oefenen was, bij ons thuis waren vaak repetities. Ook naar zijn concerten ging ik graag mee, die vaak in een kroeg waren; indrukwekkend wat zich daar afspeelde. Als kind luisterde ik de hele dag naar muziek uit de kast van mijn vader. Op mijn achtste kreeg ik mijn eerste lessen algemene muzikale vorming, vanaf mijn tiende had ik twee jaar les op fluit en op mijn twaalfde kreeg ik mijn eerste altje.

Simon Rigter: "Ik ben opgegroeid met muziek. Dankzij mijn vader Bob hoor ik vanaf mijn geboorte al muziek."
Simon Rigter: “Ik ben opgegroeid met muziek. Dankzij mijn vader Bob hoor ik vanaf mijn geboorte al muziek.”

Van welke ontwikkeling in de jazzgeschiedenis had je onderdeel willen zijn?
Mijn hart ligt bij de platenkast van mijn vader. Bij de eerste opname van Lester Young uit 1936. En er stonden veel platen van Charlie Parker in, hij is nog steeds mijn grootste held. De overgang van swing naar bebop vind ik reuze interessant. Plus de periode van Miles Davis, John Coltrane, George Coleman. En er waren veel Dexter Gordonalbums.

Wat is het bizarste dat je ooit mee hebt gemaakt tijdens een concert?
Als je vroeger op het North Sea Jazz Festival speelde, waren er de dag van tevoren ook al een paar concerten. Ik speelde op zo’n dag in Café Cremers in Den Haag met Cees Slinger A Monk’s Dream van Johnny Griffin. Mijn vader zat op twee, drie meter voor me. Toen ik mijn ogen open deed zaten daar aan de ene kant van mijn vader Johnny Griffin, aan de andere George Coleman.  Toevallig dat we ook nog dat stuk van Griffin speelden!

Waar vind je inspiratie?
Bij wat ik al eerder zei, mijn helden dus. Bij Parker, met zijn muziek in zoveel lagen, daar ontdek ik nog steeds nieuwe dingen in en krijg ik ideeën van. Bij Bud Powell heb ik dat ook. Ik probeer op hun muziek zoveel mogelijk voort te borduren. Ik heb zeven jaar les gehad van John Ruocco. Ik ben nog elke dag bezig met wat hij me heeft geleerd. En ik luister nog vaak naar Ferdinand Povel, heb ook nog altijd contact met hem.

Wat is het spannendste dat je ooit hebt ondernomen?
Ik was denk ik 20, 22, toen ik met George Coleman op het North Sea Jazz Festival mocht spelen. Ik hoorde dat al drie maanden van tevoren en vanaf dat moment voelde ik hoe nerveus ik daarover was.

Welk muziekstuk of album heeft voor jou een speciale betekenis?
De plaat die ik het meest heb gehoord is Billie’s Bounce met Dexter Gordon, Tete Montoliu, Niels-Henning Ørsted Pedersen en Alex Riel. Met die waanzinnige solo van Dexter. Ik heb ‘m duizenden keren gehoord.

Simon Rigter: "Ik heb zeven jaar les gehad van John Ruocco. Ik ben nog elke dag bezig met wat hij me heeft geleerd."
Simon Rigter: “Ik heb zeven jaar les gehad van John Ruocco. Ik ben nog elke dag bezig met wat hij me heeft geleerd.”

Wat neem je altijd met je mee?
Ik heb altijd mijn saxofoon bij me. Als ik een keer boodschappen doe zonder saxofoon, schrik ik: waar is mijn sax? Ook tijdens vakanties heb ik mijn sax altijd bij me.

Welke actualiteit heeft je aandacht?
Wat er nu aan de hand is in de wereld. Covid-19, de polarisatie die ons steeds verder uit elkaar drijft, de ontzettend negatieve invloed van sociale media, het negativisme van de presidenten Trump en Bolsonaro. Vroeger was ik nooit zo van het nieuws. Tijdens de lockdown ben ik van sociale media af gegaan. Tijdens mijn vier dagen lesgeven per week denk ik wel eens: in wat voor wereld zijn mijn leerlingen terecht gekomen?

Wie is je grote voorbeeld buiten de jazz?
Doordat ik al op zo’n jonge leeftijd met muziek in aanraking ben gekomen, heb ik geen voorbeelden buiten de jazz. Toen ik mijn eerste altsaxofoon kreeg was ik daar zo door gefascineerd dat ik mijn school heb laten sloffen. Op mijn 15e kwam ik bij John Ruocco terecht. En zodoende ken ik alleen maar voorbeelden binnen de jazz.

Wat intrigeert je aan je instrument?
Ik ben op altsaxofoon begonnen en speel dat instrument nog altijd. Maar uit de tenorsaxofoon probeer ik vooral een eigen geluid te krijgen. Alle grote tenoristen hebben zo’n eigen geluid. Ik deed ooit een concert met Rinus Groeneveld, daarbij wisselden we van instrument. Rinus bleef nog altijd Rinus en Simon nog steeds Simon.

Wat heb je geleerd van je muziek?
Dat het op de eerste plaats gaat om schoonheid. Ik liep eens met Frans Elsen over straat toen hij zei: ‘Het enige wat jullie moeten doen is mooie muziek maken’. Het gaat altijd over evenwicht en spontaniteit. Je hoeft niet steeds iets nieuws te verzinnen. Als je samenspeelt, ben je onderdeel van het geheel. Het gaat niet om jouw ego. In de verschillende delen van het geheel heerst een soort synergie. Het geheel is daardoor meer waard van de delen.

Wat wilde je vroeger altijd worden?
Het was al heel snel duidelijk dat ik jazzmusicus wilde worden. Mijn ouders hebben die wens overigens nooit gepusht. Ik ben de enige van vijf kinderen die voor de muziek heeft gekozen. Naar het conservatorium gaan was ook mijn eigen idee. Ik heb er zelfs mijn vader voor moeten overhalen, omdat hij het bestaan van een musicus onzeker vond. Ik heb zeven jaar het Koninklijk Conservatorium in Den Haag ‘gedaan’, waar ik vanaf 1989 les kreeg van John Ruocco. Over ego gesproken: John dacht vooral niet aan zichzelf. Het laatste jaar volgde ik in Hilversum lessen van Ferdinand Povel. Daar ben ik in 1997 ook afgestudeerd.

Wanneer ervaar je de vrijheid te falen?
Voor jezelf wil je nooit falen. Je moet de vrijheid zoeken om risico’s te nemen. Dat zijn ook de momenten om te falen. Als je met vrienden door één deur kunt, hoef je jezelf niet te bewijzen. Ik speel het liefst in een kroeg voor een klein publiek. Dan gaat het om ontspannen en toch luisteren. Dát geeft je vrijheid.

Simon Rigter: "Als je met vrienden door één deur kunt, hoef je jezelf niet te bewijzen."
Simon Rigter: “Als je met vrienden door één deur kunt, hoef je jezelf niet te bewijzen.”

Welke ontwikkeling in de jazz juich je toe?
Als ik naar muziek luister, gaat het vaak om de periode half jaren dertig tot half jaren zestig van de vorige eeuw. Maar gisteren luisterde ik nog naar Brad Mehldau. Hij is zo ongelooflijk goed, de manier waarop hij varieert op de traditie. De melodie hoog in het vaandel, ritme en harmonie ongeëvenaard.

Met wie werk je graag samen?
Met de mensen van mijn kwintet, met wie ik onlangs een Edisonnominatie kreeg (het Ruud Breuls – Simon Rigter Quintet met de cd Rise And Shine, rvdh). Met musici dus als Karel Boehlee, Jos Machtel, Marcel Serierse en Ruud Breuls, zij zijn zó goed! Maar ik speelde en speel met talloze anderen; zij hoeven niet per se de allerbesten te zijn, maar wel mensen met wie het goed is om muziek te maken.

Welke dromen liggen nog voor je?
Eéntje, een hele simpele: net als vroeger in een overvol jazzcafé zo dicht mogelijk op elkaar lekker jammen. Zo zijn uitermate spontaan en intiem tegelijk mogelijk. Als ik een beetje somber ben, denk ik dat jazz op afstand niet mogelijk is. Voor mij levert dat geen plezier op.

Aan wie geef je het JAZZ-tafette stokje door?
Aan (altsaxofonist) Marco Kegel. Om de simpele reden dat hij zo ongelooflijk prachtig speelt. Ik ben in jazzcafé The Duke in Leiden zowat opgegroeid. Marco was een jaar of vijftien, ik dertien, toen hij al zo mooi speelde. Ondanks dat hij eerste altist is in het Concertgebouworkest, krijgt hij nauwelijks aandacht.

RINUS VAN DER HEIJDEN
Foto’s GEMMA KESSELS

Previous post

Hermine Deurloo leidt zes streamingconcerten

Next post

Julie Campiche betovert op London Jazz Festival

1 Comment

  1. 17 november 2020 at 21:11 — Beantwoorden

    Super!

Leave a reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *