Mon Devogheleare - Jazzlogboek (notities van een jazzvogel 1960-1968)
Mon Devogelhaere
[Lander Lenaerts red.]
Jazzlogboek : notities van een jazzvogel 1960-1968
Binkom : Vogel Books, 2025
327 pag.
ISBN 978-90-9040532-2 pbk
Prijs: 30 euro
“In België sukkelt het jazzleven voort. Iedereen treurt, maar weinigen doen er iets aan.” Ja, als je zo begint kun je verwachten dat je je daarmee de toorn van de Belgische jazzmogendheden op de hals haalt. Edmond (ook: Ed of Mon) Devoghelaere deed de uitspraak in 1969 in Jazzwereld 24. Het was niet zijn eerste bijdrage; een jaar eerder, in nummer 19, begon hij voor de rubriek Jazz in België te schrijven en sindsdien had hij al de nodige kritiek over zich heen gekregen. Die nam zulke vormen aan dat vier jaar later in het voorlaatste nummer redacteur Bert Vuijsje voor hem inviel.
Devoghelaere (1943-1995) had intussen wel carrière gemaakt. Zijn eerste epistels verschenen vanaf 1963 in het literaire blad Labris. Het blad had tevens de supervisie van Devoghelaeres
biografie/discografie van Bobby Jaspar uit 1967. Hij werkte mee aan het dagblad Het Laatste Nieuws, schreef voor het betreurde jazztijdschrift van Erik Carrette, ‘Swingtime’ (1975-1981), stelde radioprogramma’s samen en produceerde platen met onder anderen Jack Sels en Fred Van Hove op Vogel Records. (De naam zou, behalve met die van zijn eigen achternaam, te maken kunnen hebben met Charlie Parkers bijnaam: Bird.)
In 1972 heb ik hem benijd: hij won toen de Euro Jazz Quiz. De prijs was een bezoek aan een festival naar keuze. Hij koos niet voor een Europees festival, zelfs niet voor het vermaarde Newport, maar voor Monterey, aan de Amerikaanse westkust!
Kortom, hij kende de scene door en door. Dat blijkt ook nu weer, uit de verzamelde logboekaantekeningen die liefhebber-journalist Lander Lenaerts in samenwerking met Mons dochter Liesbeth met veel toewijding samenstelde.
Het begint in 1960; hij was toen amper achttien. Hij doet verslag van hetgeen hij gehoord – en gezien – heeft en daaronder valt ook de bioscoopfilm. Zeer herkenbaar trouwens; als er maar een sprankje jazz in een film was te horen, dan moest die gezien worden. Overigens zijn film en televisie ook in de rest van het boek veelvuldig aanwezig. Verder bezocht hij theatervoorstellingen, tentoonstellingen en uiteraard concerten en festivals. Anders dan velen van ons maakte hij van de platen die hij thuis had beluisterd geen aantekeningen.
Zijn notities bestaan uit een veelheid van namen, maar gelukkig zijn er veel in vette letters gezet, zodat de zaak toch overzichtelijk blijft. Ietwat raadselachtig is een opmerking bij het eerste ‘podiumconcert’, namelijk dat in Parijs op 21 juli 1961 met Bud Powell en het Kenny Clarke Quintet. Hij schrijft daar: “Ik kende toen nog te weinig van jazz om thema’s te herkennen of stijlinvloeden te bespeuren …”. Hoezo: ‘toen nog’? Heeft-ie dit dan naderhand geschreven?
Ruim een week later kan hij over de bands die in Comblain-la-Tour optreden al fel van leer trekken. Chris Barber heeft zo veel succes dat hij het publiek moet vragen stiller te zijn ‘omdat hij anders zichzelf niet kan horen spelen‘. Mon: “Eigenlijk is het lawaai het beste, dan hoort men minder van de per sé opgewarmde trad-jazz, de bulkende solo van de trombonist en, ergst van al, de afschuwelijke vocal van mevrouw Barber, Ottilie Patterson …” (pag. 36)
Devoghelaere kent zijn zaken, zijn opinies zijn misschien niet altijd goed onderbouwd, maar immer leesbaar. In 1967, over Jack van Poll: “Ik heb niets tegen dit soort jazz … maar tussen Van Polls pyrotechnics en bijvoorbeeld Bud Powells pijnanalyses, de zoekkrampen van een Monk, ja, de weifelende melancholie van [Dick] Twardzik, ligt er een hemelsbrede kloof.” (pag. 304)
Devoghelaere schreef zijn ontboezemingen voor zichzelf, dus heeft hij bepaalde meningen waarschijnlijk scherper neergeschreven dan dat hij ze publiek geuit zou hebben, aldus Lenaerts in zijn nawoord. Mede gezien het bovenstaande heb ik daar mijn twijfels bij.
Jan J. Mulder



