Raoul van der Weide (rondetijd 4.47,75)
Hallo, zijn er nog idealisten? Jawel, hier is er weer een: Raoul van der Weide. Niet alleen een begenadigde contrabassist maar ook een man die als een van zijn levensdoelen heeft gesteld ruimte voor anderen te organiseren. Die anderen zijn collega’s, veelal jongeren. Met twee ervan deelt hij zelfs zijn werkplaats in Amsterdam. Raoul van der Weide (1949) loopt al decennia lang mee in de Nederlandse improscene. Ooit als kind begonnen op de viool, zocht hij het al snel in langere en dikkere snaren en kwam hij uit bij contrabas en cello. En bij het kraakdoosje dat hij liefkozend zijn kleine anarchist noemt. Voor deze selfmade musicus is niets normaal, want hij is pas tevreden als elke ontwikkeling zich verhoudt tot experiment. Daar kom je in het zo gereguleerde Nederland nauwelijks meer mee aan de bak, maar dat deert Raoul van der Weide niet. Geen platform voor zijn muziek? Dan creëert hij er zelf een: Casco Records, waar uiteraard ook plaats is voor collega-muzikanten. Maak kennis met een oude strijder.
Waar ben je op dit moment mee bezig?
Daarop krijg je een drieledig antwoord. Ik organiseer samen met Henk Zwerver elke twee maanden een All Strings Night in De Tanker in Amsterdam. Henk sponsort die in de vorm van vergoeding reiskosten. Er nemen achttien vocalisten en ‘snaristen’ aan deel uit allerlei generaties. Henk en ik mogen altijd meedoen. Het zijn fantastische avonden.
Een tweede serie is getiteld Pintotonics n + 1 in Huis De Pinto, ook in Amsterdam. In 2014 ben ik daarvoor gevraagd. Elke tweede maandag van de maand komen zo’n dertig mensen naar dit in 1974 gerestaureerd middeleeuws pand. Tijdens de eerste set treedt een solist aan, de tweede set bestaat uit een duo, trio of kwartet.
En de derde serie wordt georganiseerd in het Vrijburcht-theater. Drie jaar geleden stuurde ik - op zoek naar een speelplek - een mail of ik bij hen terecht kon. Ze vonden het fantastisch. Eenmaal per maand organiseer ik ook daar concerten.
Verder speel ik onder meer met het TatatacouF Trio met de Griekse toetseniste Lida Brouskari en drummer Thomas Jaspers. We hebben net een tourneetje van twaalf concerten, dat was fantastisch. Ook noem ik nog het Blue Lines Trio + Mary Oliver. Ik speel hier met Michiel Scheen en George Hadow, een van Han Benninks favoriete drummers. En violiste Mary Oliver is gast.
En tot slot: met Henk Zwerver vorm ik een duo.
Welke herinneringen aan je carrière zijn je het dierbaarst?
Ik heb het geluk gehad altijd met leuke groepen te spelen. Neem het Punt Uit Orkest van Bert Koppelaar, een trombonist met een extroverte klank. Toen ik via Guus Jansen in zijn orkest kwam, werd ik onder gedompeld in een Nino Rota-repertoire. Maar de band speelde ook reggae. Die gekke Bert sloeg gewoon noten over. Na acht maanden was het avontuur voorbij. Voor mij heel belangrijk was zes jaar lang met Burton Greene spelen, ik heb er een heel brede muzikale belangstelling door gekregen.
Waarom doe je graag wat je doet?
Ik denk door wat ik doe, ik veel beter zin kan geven aan mijn bestaan. Waar kan ik mijn subjectiviteit het best ontwikkelen? De improscene is daar een fantastisch platform voor. Ik wist overigens wel meteen dat dit geen goudmijn betekent.
Wanneer is je passie voor jazz ontstaan?
Dat gebeurde zonder dat ik het wist. Ik ben in 1949 in Frankrijk geboren. Vader draaide vaak Django Reinhardt. Hij was ook een grote liefhebber van Duke Ellington. Van hem heb ik de traditie van de jazz meegekregen. Toen mijn ouders gingen scheiden, kwam ik met mijn moeder terug naar Alkmaar. Daar kwam ik in contact met Bob Driessen, die platen mee bracht van Albert Ayler en Ornette Coleman.
Van welke ontwikkeling in de jazzgeschiedenis had je onderdeel willen zijn?
Vanaf de periode met Bert Koppelaar in 1978 tot nu.
Wat is het bizarste dat je ooit mee hebt gemaakt tijdens een concert?
Van 1980 tot 1985 speelde ik in een trio met Paul Termos en Wim Jansen. We speelden op zeker moment in Gent in een zaal met vierhonderd stoelen. Op de eerste rij zaten zeven mensen.
Waar vind je inspiratie?
De natuur is mijn ultieme inspiratiebron. Maar ook mensen met een verhaal dat ik niet ken, inspireren me. Ik ontmoette een Georgische vrouw die voor een supermarkt kranten verkocht. Zij inspireerde mij om vooral alles kalm aan te doen. Maar ook tot maatschappelijke verhalen, cultuur, poëzie en zeker humor voel ik mij aangetrokken.
Wat is het spannendste dat je ooit hebt ondernomen?
Het eerste optreden met het Punt Uit Orkest. Zoiets…
Welk muziekstuk of album heeft voor jou een speciale betekenis?
Mag ik er een paar noemen? Handicaps van Maarten Altena. Het conceptuele ervan is voor mij heel belangrijk. Ook het Ornette Coleman Trio at the Golden Circle, Henry Threadgill’s Zooid met This Brings Us To Vol. 1 en Charles Mingus Septet with Eric Dolphy: Cornell 1964 zijn voor mij heel bijzonder.
Wat neem je altijd met je mee?
Mijn kraakdoosje. Ik ben een van de weinigen die dit nog gebruikt. Ik noem het de kleine anarchist.
Welke actualiteit heeft je aandacht?
De grootste misdaad van het kapitalisme is armoede. En wat er in Gaza en Oekraïne teweeg wordt gebracht door impotente mannen. Hun geweld is verschrikkelijk. Kunst is voor hen tweeduidig. Zij willen slechts eenduidige propaganda.
Wie is je grote voorbeeld buiten de jazz?
Dat zijn er nogal wat. De dichters Paul Celan en Joseph Brodsky, kunstenaars Joseph Beuys, Joseph Cornell - maakte schaduwdozen -, choreografe Pina Bausch, cineaste Chantal Akerman en de schrijvers Joao Guimaraes Rosa en Fernando Pessoa.
Wat intrigeert je aan je instrument?
Vanaf het begin de sonoriteit, van hyper hoge boventonen tot heel laag. Ik speel ook vaak percussief, met twee stijlstokken, ik vind zo’n prepared contrabas een enorme uitdaging.
Wat heb je geleerd van je muziek?
Dat je heel weinig weet. Er blijven maar uitdagingen komen. Zoals hoe kan ik met anderen communiceren, het houdt nooit op. Bij ambtenaren stopt het bij hun 67e, wij kunnen gewoon door.
Wat wilde je vroeger altijd worden?
Architect. Ik denk vaak over ruimte, dat is voor mij belangrijker dan tijd.
Wanneer ervaar je de vrijheid te falen?
Daar sta ik mee op. Falen is een waanzinnig compliment. Je weet dat je met iets goeds bezig bent. Je moet uitkijken dat je falen niet verwart met slachtofferschap. Falen geeft je creativiteit, je gaat iets anders doen, je niet bij de feiten neerleggen.
Welke ontwikkeling in de jazz juich je toe?
Elke ontwikkeling die zich verhoudt tot experiment. Als dat ophoudt wordt het conformisme en dat gaat niet samen met kunst.
Met wie werk je graag samen?
Met Guus Jansen, Lida Brouskari, die piano en een kleine synthesizer speelt en Thomas Jaspers op drums. Dat zijn mensen met wie ik een klik heb. Mentality connect, daar gaat het om. Als iemand ego wordt, is het voor mij niet meer interessant.
Welke dromen liggen nog voor je?
De droom van een basisinkomen, waardoor kunstenaars iets gemakkelijker kunnen overleven. Daarbij gaat het om creativiteit, moreel besef en dingen samen doen.
Aan wie geef je het JAZZ-tafette stokje door?
Aan Michiel Scheen. Ik vind hem een erg leuke pianist en goede componist. Hij is sterk ondergewaardeerd en dus is hij een goede kandidaat voor de JAZZ-tafette.



