MET DE OREN VAN EEN LITERATOR

In zijn rijke bundel Keep Swinging – 33 Jazzmeesters van de 20ste eeuw (2022) wijdt Bert Vuijsje ook een hoofdstuk aan drummer Buddy Rich. Diens gedrag tegenover zijn jonge medemusici komt er zacht gezegd niet best af; Rich schold ze uit, bedreigde ze en gooide ze de bus uit als hem dat uitkwam. Eventjes meldt Vuijsje ook dat er in de ogen van sommige jazzfans nog een andere controverse aan de agressieve slagwerker kleeft. Die zou de plaatsessie voor het album Bird & Diz hebben doen mislukken door zijn ritmische onbegrip’ terwijl Charlie Parker, Dizzy Gillespie en Thelonious Monk in 1950 eindelijk samen in een studio stonden. Anders gezegd: de lomperik verpestte een prachtkans. Vuijsje meldt overigens wel dat Rich 'een spectaculair virtuoze slagwerker’ was.

Een heel andere opvatting over die sessie lezen we in het boek Jazzportretten van de Japanse succesauteur Haruki Murakami. Dat is te vinden in zijn hoofdstuk over altsaxofonist Charlie Parker. In feite gaat die tekst meer over Buddy Rich dan over ‘Bird’. Murakami meldt wel dat hij niet zo positief was toen hij die plaat voor het eerst hoorde. Hij dacht aanvankelijk: ‘Wat zonde, was de drummer maar Max Roach of Kenny Clarke geweest…’ Maar jaren later had hij plotseling een ander oordeel. ‘Rich drumt loeihard, zoveel is zeker, maar als je goed luistert, snap je dat dit de muziek eromheen beslist niet in de weg staat. Het ligt namelijk precies vast op welke cruciale punten hij even een adempauze inlast. Dit is toch alleen de groten der aarde gegeven.’

Zou producer Norman Granz misschien een inventief strateeg zijn geweest? ‘Alleen al bij het horen van die intro met de cimbalen in het eerste nummer Bloomdido krijg ik een glimlach op mijn gezicht. Heerlijk toch? Ik was van plan over Charlie Parker te schrijven en uiteindelijk ging het alleen maar over Buddy Rich.’

Ook in het hoofdstuk over Eric Dolphy slaat Murakami plotseling een heel ander pad in. Hij associeert Dolphy altijd onmiddellijk met het album Out There (1960). En dan gaat die herinnering vooral over het originele hoesontwerp. De saxofonist zweeft daarop door de lucht op een soort ruimteschip in de vorm van een contrabas. De naam van de ontwerper staat nergens: ‘Ze hebben voor deze plaat vast een jonge, niet meteen beroemd te noemen artiest om een originele afbeelding gevraagd.’ Marukami vindt dat ‘de toon van deze tekening verbazend dicht aansluit bij de artistieke stijl van Eric Dolphy zelf’. Aan het slot doet hij een meer filosofische uitspraak. ‘Wie weet leven we allemaal min of meer in een uithoek van het heelal.’

 

Duke Ellington
Makoto Wada (illustratie uit besproken boek)
Duke Ellington

Ook uit veel andere stukken blijkt dat de auteur volstrekt zijn eigen weg gaat. Hij luistert naar jazz met de oren van een literator. Dat is begrijpelijk: Haruki Murakami (1949) is niet de eerste de beste, hij is een eminentie van de Japanse literatuur, schreef veel ook internationaal succesvolle boeken en is al jaren in de race voor een Nobelprijs. Maar voordat hij echt schrijver werd, was hij in de jaren zeventig uitbater van jazzcafé Peter Cat in Tokio. Een zogenaamde ‘jazu kissa’, met een kolossale collectie jazzplaten. Dat was jarenlang zijn wereld. Een type jazzhol waar de muziek meestal ongelooflijk hard wordt gedraaid; volgens Japankenner Benjamin Herman zou dat misschien te wijten zijn aan de ‘samurai-mentaliteit’ van veel Japanners.

Voor de totstandkoming van deze Jazzportretten volgde jazzgek Murakami een excentriek procedé. Hijzelf bedacht in eerste instantie niet welke musicus aan bod zou komen; die keuze legde hij in handen van de illustrator Makoto Wada (1936-2019). Die volgde zijn eigen ingeving en maakte een tekening. Daarna zette Murakami zich pas aan een tekst. Niet zo’n probleem, hij kende immers alle jazzgroten van de platen uit zijn jazzcafé. Dat leidde in Japan eerst tot een bundel Jazzportretten (1997) en daarna in 2001 tot Jazzportretten 2. De Nederlandse uitgave (met een vertaling van de Vlaamse Murakamikenner Luk Van Haute) bevat alle stukken, plus een paar bonus tracks. Die gaan over Art Pepper, Frank Sinatra en Gil Evans. In totaal worden er 55 musici behandeld, volgens een strak format: twee pagina’s tekst, een pagina met een tekening van Wada, een afbeelding van een plaat en een summier biootje van de artiest.

Maar verwacht ondanks die strakke opzet geen handboekachtige inhoud. Murakami schrijft niet om alle weetjes op te lepelen. Zulke boeken zijn er immers al genoeg, ook in ons land. In Jazzportretten volgt de auteur vooral zijn gevoel. Dat hij daarbij vaak in andere kamers terechtkomt is het lot van een literator.

Haruki Murakami: Jazzportretten
Uitgeverij Atlas/Contact, 2026
240 pag.
ISBN 978-90-254-7857-5

 


 

Tekst Coen de Jonge

 

Advertenties

Advertentie aubergine
Jazz Bulletin 138
Gif ook schrijven voor jazznu2
TilburgsAns
TilburgsAns