Sonny Rollins hekkensluiter van legendarische tenoristenlijn in de jazz
Al tien jaar hik je er tegenaan, want je weet dat de onvermijdelijke dag eerdaags komt. Je moet je voorbereiden, want de dood is onverbiddelijk. En dan is het zo ver, Sonny Rollins is op 95-jarige leeftijd overleden, op 25 mei 2026 in zijn woning in Woodstock.
Omdat je in die tien jaar afwachtte en niets ondernam, sta je nu met lege handen. Je had je steeds voorgenomen een doorwrochte necrologie te schrijven en daar is tijd voor nodig, veel tijd. Want die vergt het ruim zeventigjarige muzikantenleven van Sonny Rollins, de laatste der grote tenorsaxofoonlegendes in de jazz. Jawel. Je wilt er geen heldendicht van maken, geen superlatieven op superlatieven stapelen, want dat lijkt onontkoombaar in de wereld van de muziek, zelfs in die van de jazz. Maar omdat jou tien jaar lang de moed ontbrak om aan een alles omvattend, persoonlijk In Memoriam te beginnen, rest nu chaos in je hoofd en weet je nauwelijks hóe te beginnen. En herdenk je Rollins met flarden van ervaringen, met gedachtesprongen die zich uitstrekken over de gehele, zo rijke geschiedenis van de jazz, met het kippenvel en de tranen die zijn muziek bij je opriepen. En met de gedachte dat ’s mans legendarische status nauwelijks in een doodsbrief is te vangen. Dat is op dit moment de enige troost die je als schrijver rest.
Sonny Rollins is dus eindelijk overleden, 95 jaar oud. Eindelijk, omdat hij twaalf jaar geleden zijn tenorsaxofoon vanwege longfibrose aan de kant moest leggen. Vanaf toen, ziek en buiten elke publiciteit wachtte Rollins op de enige zekerheid die de mens heeft, de dood. Waarmee hij onherroepelijk de ontwikkelingslijn afsluit die de tenorsaxofoon tot een van de hoofdinstrumenten van jazzmuziek maakt. De lijn die ontstond bij Coleman Hawkins, overging op Lester Young en John Coltrane en eindigt bij Sonny Rollins.
Waren er dan geen mededragers van die lijn? Toch wel, denk aan Archie Shepp, Don Byas, Ben Webster, Dexter Gordon, Johnny Griffin en tegenwoordig David Murray, Joshua Redman, Branford Marsalis, Mark Turner. Maar geen van allen creëerden/creëren zij de monumentale bouwstenen die voornoemde vier jazzmusici aan de ontwikkeling van de tenorsaxofoon meegaven.
Coltrane en Rollins sloten het rijtje tenorsaxofoonmythes af, dat werd geopend met de geboorte van Coleman Hawkins in 2004. Sonny Rollins, op 7 september 1930 geboren in Harlem, New York en John Coltrane, op 23 september 1926 geboren in Hamlet, North Carolina (en overleden op 17 juli 1967 in New York) waren tijdgenoten. Alhoewel zij onafhankelijk van elkaar opgroeiden en zich individueel muzikaal ontwikkelden, traden zij beiden in de jaren veertig en vijftig binnen in een van de belangrijkste en vernieuwende tijdperken van de vorige eeuw. De swingperiode van de jaren dertig was overgegaan in de geboorte van de bebop en dat betekende een totale ommekeer in hoe jazz werd beleefd.
Tot het ontstaan van de bebop, was jazz dans- en amusementsmuziek. En daardoor commercieel van aard. Toen jonge musici als Charlie Parker, Thelonious Monk, Dizzy Gillespie en Max Roach aan het front verschenen, ging de swingmuziek van de grote orkesten over op individualiteit van die jazzmusici. Fraaie, op swing dansende melodieën werden ondergeschikt gemaakt aan snelle akkoordwisselingen, individuele solo’s, uitbannen van wat het bladpapier voorschreef, en improvisaties, vooral improvisaties. Daarmee kwam vrijheid in de muziek, die zich heden ten dage nog altijd voortzet.
Die vrijheid hingen Rollins en Coltrane volledig aan. En kon het daardoor niet uitblijven dat binnen een maatschappij die toen al bol stond van wedijver, de volksmond wilde uitmaken ‘wie de beste was’. Branford Marsalis heeft gezegd dat dit Sonny Rollins is. Hij was - naast Louis Armstrong - volgens Marsalis de beste improvisator van de jazzgeschiedenis. Zonder me in de discussie te mengen moet toch worden aangetekend dat Coltrane en Rollins van elkaar verschilden als dag en nacht. Hoewel beiden het improviseren tot hogeschoolkunst hebben verheven en op video’s op Youtube is te zien dat zij daar alle tijd voor namen – improvisaties van zo’n half uur komen regelmatig voorbij – is het Coltrane die zich daarbij geen enkele beperking laat opleggen. Rollins is en blijft ten alle tijde vormvast.
Dat is niet verwonderlijk, want vanaf het begin van zijn muzikantenbestaan speelden bestaande muziekstijlen een grote rol in Rollins’ spel. Hij had een absolute voorliefde voor thematische improvisaties en vond het maar wat fijn om populaire liedjes door improvisaties geheel ‘om te bouwen’ en daarmee jonge muzikale collega’s te jennen, bij wie de populaire-liedvorm een fenomeen was waarop alleen maar gespuugd moest worden. Voorbeelden van die opbouwwerken zijn Rollins’ wellicht grootste ‘hit’ St. Thomas, evenals Don’t Stop the Carnival en Oleo. Sonny Rollins is door deze aanpak de persoon die erin slaagde de jazztraditie telkens een nieuw gezicht te geven.
Ook Coltrane putte uit bestaand liedjesrepertoire, denk aan My Favorite Things uit de film The Sound of Music (van Rodgers/Hammerstein) en ook Lush Life (van Billy Strayhorn), Bye Bye Blackbird (Henderson/Dixon) en Dear Old Stockholm (Miles Davis). Trane gaf ze eveneens een nieuw uiterlijk, maar op een radicaal andere wijze. Traditionele elementen werden in de improvisaties uitgegumd, verticale harmonische ontwikkelingen had hij rond 1962 al achter zich gelaten, zijn experimenten met ritmiek werden gestapeld op de uitbreiding van melodische flarden en zijn sound of sheets benamen je als luisteraar de adem. Dit alles kwam in een stroomversnelling toen Coltrane voorganger werd in the new thing, de free jazz, begin jaren zestig.
Aan die nieuwe richting ontkwam Sonny Rollins niet. Hij werkte kort samen met cornettist Don Cherry, contrabassist Bob Cranshaw en drummer Billy Higgins. Hij verliet het ‘vrije circuit’ echter snel, omdat het hem naar eigen zeggen aan de bedelstaf zou hebben gebracht. Daarom is Rollins nooit een free-jazzvogel geweest, evenmin trouwens als een bebopper of hardbopper. Je kunt hem nauwelijks rubriceren. Of misschien wel helemaal niet. Want zijn uniciteit tilt hem over alle definities heen.
Niet rubriceren, we proberen wel de exemplarische grootheid van Sonny Rollins aan te tonen. Zijn vroege bewondering voor Coleman Hawkins, stichter van een nieuw, individualistisch tenorsaxgeluid binnen de jazz, maakte dat Rollins welhaast een muziekwetenschapper is geworden. Want de zachtheid van Hawkins mocht dan het begin zijn van Rollins’ experimenten om dat geluid in een nieuwe vorm te gieten, het leek er in de zeventig jaar dat hij het jazzfront beheerste op, dat het geluid van de tenorsaxofoon steeds verder uiteen getrokken kon worden. De sound van Sonny Rollins is uniek. Rauwheid wisselt af met fondant zachte speelsheid, zijn toon is vol en vet, hees en loepzuiver, zacht in het laag, hard in het hoog en omgekeerd. Daarbij heeft hij het ritme over piepkleine harmonische motieven heen tot in het uiterste geperfectioneerd.
Zijn ontdekking van en experimenten met melodische omweggetjes en die buiten de gangbare harmonische architectuur plaatsen, zijn ongeëvenaard. En al kom je als luisteraar vaak in een dol makende mallemolen terecht, Rollins’ verrichtingen blijven altijd toegankelijk.
Sonny Rollins manifesteerde zich in korte tijd tot een reus, een colossus, welke typering in 1956 werd vastgelegd op het album Saxophone Colossus, de wellicht belangrijkste elpee van de zestig die Rollins als leider opnam. Een reus, die niet kan velen dat anderen bij zijn grootheid in de buurt komen. Dat was de reden dat de saxofonist, na met kwartetten en kwintetten te hebben gespeeld, vroeg in zijn carrière koos voor de triovorm van saxofoon, contrabas en drums. Een piano kon hij toen niet velen, andere melodie-instrumenten ook niet, want het moest uitsluitend gaan om hét verhaal dat hij wilde vertellen, het zijne.
Opnamestudio’s waren niet de favoriete plek van Sonny Rollins. Hij communiceerde liever rechtstreeks met zijn publiek tijdens concerten. Toch is veel van zijn unieke oeuvre op plaat vastgelegd. Van de vele legendarische albums is Sonny Rollins in Holland een van de waardevolste. De dubbel-cd, in 2021 uitgebracht door het Nederlands Jazz Archief, bevat de registratie van drie concerten in 1967 in respectievelijk Arnhem, Loosdrecht en Hilversum. Het bijzondere is dat Rollins wordt begeleid door twee hem volstrekt onbekende Nederlanders, contrabassist Ruud Jacobs en slagwerker Han Bennink. Het muzikale peil op dit album is duizelingwekkend.
Zijn levenslange zoektocht leidde hem ook langs andere muziekvormen als funk, elektronische muziek en jazzrock. Indiase en Japanse muziek pikte hij eveneens onderweg op. En dat hij zich daarbij ook de filosofieën uit die streken eigen maakte, vergrootte de mythes en mystiek rond zijn persoon alleen maar.
Sonny Rollins schijnt de longfibrose die hem trof te hebben opgelopen bij de terroristische aanslag op 9/11 in New York. Hij woonde vlakbij de Twin Towers en moest halsoverkop vluchten uit het 39 verdiepingen hoge gebouw waarin hij en zijn echtgenote Lucille een appartement bewoonden. Rollins kon alleen zijn saxofoon mee grissen en kwam eenmaal beneden in de immense stofwolken van het instortende World Trade Center terecht. Zijn familie heeft geen doodsoorzaak bekend gemaakt en het is derhalve niet zeker dat Rollins’ overlijden 25 jaar na 9/11 te wijten is aan de longfibrose.
Tijdens het Detroit Jazz Festival in 2012 trad Sonny Rollins voor het laatst op, in 2014 legde hij zijn saxofoon voorgoed terzijde. In Nederland verzorgde hij vanaf 1959 diverse concerten, op 25 oktober 2011 in Eindhoven het laatste.
Met de dood van Sonny Rollins wil niet gezegd zijn dat de al enkele malen genoemde tenoristenlijn geen vervolg kan krijgen. De afsluiting ervan behelst in feite het slot van een manifeste evolutie in de historie van de jazz, die geen breuklijn hoeft te zijn. Een musicus als David Murray, slaaf en dienaar van alles wat het verleden van de jazz heeft opgeleverd, transponeert alles wat hij in zo’n vijftig jaar onderweg heeft opgepikt, naar het heden. En daarmee sluit hij nauw aan bij de schatten die Hawkins, Young, Coltrane en Rollins hebben aangedragen. De tijd zal het leren.






