Vilnius piept, kraakt en schuurt: ruim baan voor avontuur tijdens Mama Jazz Festival
Zou jazz in Litouwen veel voorstellen? We kennen het niet, en hebben nooit iets uit deze Baltische staat gehoord. Grote kans zou je denken, dat jazz hier jaren achteroploopt bij de West-Europese jazz. Het zou een verrassing zijn als het niveau enigszins vergelijkbaar is. Het werd een verrassing, zelfs een daverende.
Het brandpunt van de jazz van de hoofdstad Vilnius, de vrouw die al tientallen jaren met hart en ziel zorgt voor de Litouwse jazz en die jazzmuzikanten door dik en dun steunt, is Judita Bartoševičienė. Litouwers kennen haar onder de naam Mama Jazz. In 2002 begon ze met een jazzfestival dat deze naam kreeg, en met 25 jaar Mama Jazz Festival vierde ze dit jaar haar jubileum.
Het is niet het enige jazzfestival van Vilnius. Mama Jazz programmeert traditioneler dan het Vilnius Jazzfestival, werd mij verteld, want daar wordt avant-garde geprogrammeerd. Al snel kwam de vraag op hoe far-out dát festival wel moest zijn, want een festival als Mama Jazz zou hier doorgaan als het meest avant-gardistische jazzfestival van Nederland.
DNA
Avant-garde jazz zit in het DNA van de Litouwers. Dat lijkt vreemd, maar is het gevolg van de Sovjetdictatuur die, met een korte onderbreking tijdens de Tweede Wereldoorlog, van 1940 tot 1990 duurde. Jazz was streng verboden en er was geen noot jazz te horen, althans niet onder die naam. De muziek die werd gespeeld leek niet op de jazz zoals de Sovjet-Unie die kende, werd ook geen jazz genoemd, en hoe gekker het klonk, hoe beter het was. Dit was de gedoogmuziek van de Sovjets. In Litouwen ontstond een vorm van jazz, die dankzij het vrijwel totaal ontbreken van contact, grotendeels los stond van de Amerikaanse avant-garde. Dat is inmiddels wel anders, maar genres als bebop en swing zul je niet vaak horen.
De ‘traditionele jazz’ van Mama Jazz houdt dus ook in dat het duo van drummer Arkadijus Gotesmanas en saxofonist Kazimieras Jušinskas speelde. Hier zouden we hun jazz geluidsonderzoek noemen. Alles wat geluid kan geven komt aan bod. De saxofonist laat zijn kleppen en wat nog verder aan zijn saxofoon kan rammelen horen, en als hij zijn sax aan de mond zet horen we een forse wind door de zaal waaien. Gotesmanas tikt en rammelt vrolijk mee. Heel langzaam ontstaan uit dit klankonderzoek geluiden en noten die hun plaats zoeken en elkaar in melodische structuren vinden. Structuren die zich niet laten verdringen, ook niet als Kazimieras een fluit bespeelt door de fluit in de beker van zijn sopraansax te duwen. Ook de vondst dat een bierblikje precies in de beker van zijn altsax past, interfereert niet met het hoofddoel om muziek te maken die indruk maakt. Je kunt veel vinden van geluidsonderzoek, maar hier kan de conclusie getrokken worden dat dit zeker tot iets moois kan leiden.
Het is een van de hoogtepunten van Mama Jazz, dat ’s middags veel ruimte geeft aan lokale jazzbands. Veelal met jonge nog aan hun ontwikkeling werkende muzikanten, zoals het 21th Century Quintet en Duck Saved Jones, deels met dezelfde muzikanten die door hun namen te verbasteren een Engels klinkende naam hebben. Het zijn dit soort concerten, vooralsnog ’s middags in een kleinere zaal, die een inkijkje geven in de jazzscene van Litouwen.
Daar zitten groepen bij, die bij ons nauwelijks tot de jazzscene zouden worden gerekend. Zoals het trio Ravenjazz met technojazz, waarin de instrumenten (drums, trombone, saxofoon) geheel of gedeeltelijk met loop stations en andere elektronische apparatuur, klankmatig onherkenbaar werden gemaakt. Of je het mooi moet noemen is een kwestie van smaak, maar het heeft wél wat. Binnen de kortste keren ontstond er een kakafonie van geluiden, die uit een op hol geslagen datacentrum leken te komen. Doppler-effecten en vermeende elektriciteitsstoringen maken de muziek tot iets wat deed denken aan Charlie Chaplins film Modern Times, waarbij de muziek de steeds sneller gaande ontwikkelingen probeert bij te houden, daar de grootste moeite mee heeft en constant de weg dreigt kwijt te raken.
Dit is wat men in Vilnius meer traditioneel dan avant-garde noemt, en het duurde dan ook tot zondagmiddag om de eerste band te horen die met recht traditioneel genoemd kon worden. De No Name Jazz Fellas is een pianotrio dat in de jazztraditie past. Pianist Dmitrij Golovanov, als president van de Lithuanian Jazz Union een centraal figuur in de jazzscene, wordt vaak de beste jazzpianist van Litouwen genoemd. In zijn eigen jazzclub Jazz Cellar 11 had hij een dag eerder in een optreden met zangeres Veronika Čičinskaitė, al laten horen dat hij een harde swinger is. Met zijn maten zonder naam hoorden we bij hem hier en daar een flard van de pianotraditie. Hij heeft gesnuffeld aan Bill Evans, Keith Jarrett, Cecil Taylor en nog een handvol pianisten, en liet ook horen dat hij een klassieke achtergrond heeft. Hij is moeilijk te plaatsen met zijn spel dat mede gevormd is door muziek die jarenlang in Litouwen de dienst uitmaakte.
Bijzondere performer
Meteen na hem hoorden we pianist Richardas Banys in een indrukwekkende solo, met jazz en veel Oost-Europese invloeden, waarmee hij het optreden van vocaliste-fluitiste Neda Malunavičiūtė opende. Met hem en Golovanov lopen er dus minstens twee van de beste jazzpianisten rond. Neda’s optreden met haar modern creatieve trio was een grote verrassing. Neda zingt zo vrij als een vogeltje, zowel met woorden als woordloos. Haar fluitspel is bijvangst, heel vrij, maar het gaat om de manier waarop zij zingt en op het podium een bijzondere performance laat zien. De muziek is soms sprookjesachtig en beeldend. Met spoken word is zij zo inclusief dat je haar niet eens hoeft te verstaan. Met haar lichaamstaal laat ze zien wat ze zegt en zingt. Neda is een bijzondere performer met een bijzondere stem en bovendien gezegend met een flinke dosis humor, die ze in haar bewegingen en zang royaal de ruimte geeft.
Dat Golovanov en Neda hun optredens op het kleine podium hadden, en daarmee ook niet langer optraden dan drie kwartier, lijkt onverdiend maar was noodzakelijk omdat alle drie dagen een avondprogramma op papier stond om U tegen te zeggen.
Bij de avondconcerten in de grote zaal waren betrekkelijk weinig Litouwers betrokken. Het waren met name Britse groepen die opvielen. Wel een beetje gek om helemaal naar Litouwen te reizen om de top van de Londense avant-garde te ontmoeten. Het nam niet weg dat deze groepen voor een buitengewoon geslaagd festival zorgden. Misschien dat het nog even wennen was met Vega Trails, het experimentele duo van bassist Milo Fitzpatrick en saxofonist Jordan Smart. Alleen, Smart meldde zich af vertelde Milo met een spoor van frustratie. “Terwijl hij er morgen wel is”, voegde hij er met nauwelijks verholen afgrijzen aan toe. Saxofonist Jack Wyllie, met wie hij overigens veel speelde in het Portico Quartet, was de invaller. Er werden korte impressionistische stukken gespeeld van wisselend karakter, maar binnen de nummers was weinig ontwikkeling te ontdekken en nauwelijks sprake van een spanningsboog. Het scheppen van een impressionistische sfeer was het belangrijkste doel. Fitzpatrick was een lust voor het oor met zijn perfecte strijktechniek en als hij plukte creëerde hij een bonkende sound die de niet aanwezige basdrum doet vergeten. Wyllie kwam daarbij als invaller meer en meer los van de noten waarop zijn blik continu gericht was. Er werd mooi gespeeld, weinig toegankelijk ook, en na anderhalf uur was de fut er uit. Het laatste stuk Epic Dream was een samenvatting van hun optreden. Een anderhalf uur durende droom, waarna sommige luisteraars letterlijk ontwaakten.
Die eerste avond is meer de avond van de Amerikaanse gitarist Mary Halvorson. Met grote precisie speelt Halvorson kortafgemeten nootjes, in een licht Spaanse sfeer. Zoals we van haar kennen houdt ze met kleine accentjes haar nieuwe kwartet Canis Major strak in de hand. Ze lijkt weinig nodig te hebben om de muziek strak te houden, waarbij ze trompettist Dave Adewumi zijn gang laat gaan. De New Yorker Adewumi die uit het niets naar boven lijkt te zijn gedreven, kreeg de gelegenheid om met zijn grote sound, direct afkomstig uit de lijn van Louis Armstrong, indruk te maken. Hij speelt hard en continu op het hoogste niveau, maar zonder veel nuance. Op dat gebied kan hij nog veel leren van Halvorson die lange tijd zo min mogelijk noten speelde, om uiteindelijk te exploderen, helemaal los te gaan in een gekmakende solo die als een dolgedraaid draaiorgel klonk, om daarna in alle rust verder te spelen alsof er niets was gebeurd.
De energie die Adewumi in zijn spel legde was wel indicatief voor alles wat erna zou komen. De tweede dag kwamen achter elkaar drie groepen die hun stekkers in 360 volt hadden gestoken, waarmee Mama Jazz een dag had die zelden was geëvenaard. De Britse Mammal Hands mocht als eerste de rust verstoren. En daar stond saxofonist Jordan Smart, de dag ervoor nog gedeserteerd bij Vega Trails, met zijn broer Nick aan de piano.Mammal Hands speelt lange lijnen van eenvoudige thema’s en spoelt uiterst strakke golven van sound over de luisteraars. De steeds herhaalde motiefjes veranderen tergend langzaam en leveren een soort minimal music op. Het is muzikaal bergbeklimmen dat stil lijkt te staan en nauwelijks verder komt, maar na enige tijd toch weer een stuk heeft afgelegd. Je laat de golven sound over je heen komen, waarbij de twinkelende pianonoten zich mengen met zachte saxofoonklanken. Klein rustige stapjes worden met kleine variaties gezet, en voor je het in de gaten hebt, heb je ook zelf je bergschoenen aangetrokken om met de muziek mee omhoog te klimmen. Het is subtiel en indringend.
Mixed-Up
Even lijkt het of de band daarna van de Britse drummer Tom Skinner, hetzelfde subtiele pad gaat volgen. Hij is de meester van de accenten op drums en hoeft het niet te hebben van harde klappen op trommels. Skinner bouwt de spanning op door zijn tikjes en belletjes te mengen met de knarsende snaren en het krakende en zuchtende hout van de contrabas van Tom Herbert en cello van Francesca Ter-Berg. Saxofonist Chelsea Carmichael maakt daarbij op een vogelfluitje en dwarsfluit lieve geluiden waarmee een complexe structuur wordt opgebouwd.
Er ontstaan door elkaar lopende muzieklagen van twee saxofoons en twee strijkers. De lagen staan niet op zichzelf, maar worden gebruikt als een uitbreiding van het drumstel. Skinner houdt de strijkers en saxen strak aan een lijntje en laat dat lijntje steeds meer vieren. Het is een feest van schoonheid door subtiliteit. De spanning wordt langzaam opgebouwd en komt tot een climax in het laatste, spiksplinternieuwe stuk Mixed-Up. De zachte klanken en accenten van de atypische drumsolo komen van alle kanten. De muzikanten lopen met belletjes over het podium om het geluid van richting te veranderen. Dan breekt de hel los en pakt Chelsea haar tenorsaxofoon. Ze speelt een lange solo waarbij ze met beide benen diep in de blues staat, en weg zijn al die verfijnde accenten en belletjes. Ook bij Skinner gaat de beuk erin.
De heftigheid van Mixed-Up is de trait d’union met de muziek van de Noorse trompettist Nils Petter Molvær. Zijn groep Khmer kent geen verfijnde accenten, met Rune Arnesen en Per Lindvall wel twee drummers en live sampling van Jan Bang. Die produceren meteen een overdonderd geluid, waarvan je afvraagt of je de hemel of de hel hoort. Jan Bang laat een onheilspellend geluid uit zijn computer komen en de drummers bouwen een onneembare super strakke beat op.
Zelf blijft Molvær rechtop staan, als bescheiden trompettist en als een sfeermaker, die met geluiden de randen van de mogelijkheden van zijn trompet verkent en opzoekt. Bang is voor hem onmisbaar. Zonder de grootmeester van de soundscapes zouden alleen de verstilde klanken van zijn trompet overblijven. Nu staat Molvær in het middelpunt van een draaikolk van soundscapes en wilde ritmen. Jan Bang, die achter zijn labtop als een robot met de muziek meedanst, en de twee drummers die elk op een andere manier hetzelfde ritme spelen en elkaar aanvullen, bepalen het geluid en de sfeer. Met als resultaat een pandemonium dat je naar het binnenste van de draaikolk zuigt.
Heftig, heftiger, heftigst. De overtreffende trap heette Ahmed, het kwartet van de Britse pianist Pat Thomas, die er zelf wegens ziekte niet bij kon zijn. Het trio dat overbleef, de Engelse saxofonist Seymour Wright, de Zweedse bassist Joel Grip en de Franse drummer Antonin Gerbal versloegen alle heftigheidsrecords. Het is een groep die niet snel op een jazzpodium te vinden zal zijn. Ahmed is te horen op progressieve poppodia, zoals het Amsterdamse Paradiso en de Tolhuistuin, maar op het ‘traditionele’ Mama Jazz Festival knipperen ze niet zo snel met de ogen.
Vanaf de eerste seconde komt er een enorm geluid uit Seymour Wright. In zijn handen heeft hij iets wat op een altsaxofoon lijkt, maar het klinkt heel anders. Zijn sax klinkt als een scheepstoeter of toeterende auto's, of zelfs als een burlend hert. Je zit genageld op je stoel. De bassist en drummer herhalen in een moordend tempo unisono steeds dezelfde noten en klinken als één instrument. Wright gaat zonder een seconde te stoppen, zelfs zonder af en toe te ademen, op een niveau door dat niet meer is te bevatten. Er wordt één nummer gespeeld. Op de monitor vertoont het geluidsniveau een kaarsrechte lijn die diep in het rood zit. Wright speelt op een saxofoon waarvan het rietje vervangen lijkt door schuurpapier korrel 60. Hij speelt een sax battle met zichzelf, in een waanzinnig tempo, met een variatie aan technieken en ideeën die de continuïteit niet in de weg staan. Grip en Gerbal voeden hem, als door een onzichtbare vuistdikke kabel, met energie. Het is muziek van het type ‘take it or leave it’, en je vraag je af hoe dit moet eindigen. Met kortsluiting of iets anders? Dan vloeit na 55 minuten de energie heel langzaam weg. Het tempo zakt langzaam in, steeds langzamer en plotseling komen er herkenbare motieven tevoorschijn. Als een trein die zijn stootblok nadert, wordt de muziek zachter en zachter om uiteindelijk in het niets te verdwijnen.
Het Vladimir Tarasov Octet bewandelt precies de omgekeerde weg. Met stilte en rust wordt hetzelfde beoogd als Seymour Wright, die het er met een voorhamer in slaat. Drummer Tarasov is inmiddels als Litouwer geannexeerd. Dat hij van oorsprong Rus is, wil niemand weten. Het Octet maakt dromerige muziek die om de Amerikaanse stemkunstenaar Lauren Newton draait.
Newton maakt klanken en met haar lichaam en handen danst ze in slow motion over het podium. Vier strijkers, uit Oostenrijk en Litouwen, zorgen voor een indringende kleurrijkdom. De soundkunstenaar, fluitist en drummer maken subtiele geluiden die de sfeer van wind en donder oproepen. Newton beweegt op deze klanken over het podium, en maakt geluiden die soms aan Greetje Bijma doen denken. “Natuurlijk ken ik haar”, zou ze later zeggen. Deze muzikale performance, op de grens van jazz en modern klassiek, kruipt langzaam onder je huid. Met Lauren Newton als reisleidster die ons voorgaat op haar weg naar Saturnus en de sterren.
Het is nog niet het einde van deze prachtige jubileumversie van Mama Jazz. Dat is de Amerikaanse zangeres Cécile McLorin Salvant. Dit is onbetwistbaar traditionele jazz en zij is een van de beste en populairste jazzzangeressen van dit moment. Het had na al die heftige experimentele en avant-garde jazz niet voor iedereen gehoeven, maar voor het festival is zij perfect. De grote zaal stroomt stampvol om te genieten van haar stem, zo zuiver als water. Ontspannen, charmant en met een toptrio is zij de gedroomde publiekstrekker die het kaarsje mag uitblazen.
Mama Jazz Festival
Vilnius, Litouwen
22-24 mei, 2026
Duo Jušinskas/Gotesmanas
Kazimieras Jušinskas – sopraan- en altsaxofoon
Arkadijus Gotesmanas – drums
21th Century Quintet
Davit Avetisyan – saxofoon
Andrius Savčenka – toetsen
Danielius Skeivelas – gitaar
Artūrs Duckis – bas
Mihail Novikovs – drums
Duck Saved Jones
Andrius Savčenka – toetsen
Artūrs Duckis – bas
Dovydas Jonas Šulskis
Vilnius JJAZZ Ensemble – Ravenjazz
Jievaras Jasinskis – trombone, loop station
Simonas Šipavičius – alt- en tenorsaxofoon, loop station, elektronica
Domantas Razmus – elektronische drums
No Name Jazz Fellas
Dmitrij Golovanov – piano
Artūrs Duckis – contrabas
Domantas Razmus – drums
Trio Neda/ Labutis/Banyas
Neda Malūnavičiūtė – stem, fluit
Vytautas Labutis – altsaxofoon
Richardas Banys – piano
Vega Trails
Jack Wyllie – alt-, C-melody- en tenorsaxofoon
Milo Fitzpatrick – contrabas
Canis Major
Dave Adewumi – trompet
Mary Halvorson – gitaar
Henry Fraser – contrabas
Tomas Fujiwara – drums
Mammal Hands
Jordan Smart – altsaxofoon
Nick Smart – piano
Rob Turner – drums
Tom Skinner
Robert Stillman – sopraan – en tenorsaxofoon
Chelsea Carmichael – fluit, tenorsaxofoon
Francesca Ter-Berg – cello
Tom Herbert – contrabas
Tom Skinner – drums
Kmer
Nils Petter Molvær – trompet
Eivind Aarset – gitaar
Jan Bang – live sampling
Audun Erlien – contrabas
Rune Arnesen – drums
Per Lindvall – drums
Tord Knudsen - licht
Ahmed
Seymour Wright – altsaxofoon
Joel Grip – contrabas
Antonin Gerbal – drums
Vladimir Tarasov OctetSaturn Nocturne
Lauren Newton – stem
Andreas Schreiber – viol
Angelika Hagen – viol
Anton Lukoszevieze -cello
Gediminas Stepanavičius – contrabas, el. Bas
Kristupas Gikas – fluit
Arturas Bumšteinas – sound
Vladimiras Tarasovas – drums
Cécile McLorin Salvant
Sullivan Fortner - piano
Yasushi Nakamura – contrabas
Kyle Poole - drums
Cécile McLorin Salvant – zang






