JIM PUGH – NEW AMERICAN SYMPHONIES / WORKS BIJ ROY HARRIS & SCOTT NINMER (ANDERSON AUDIO NEW YORK)
Jim Pugh is bijna 76, maar aan zijn spel op de trombone is dat niet te horen. De New Yorkse studiomuzikant en pedagoog heeft een warme, volle toon en weet willekeurig welke akkoord- of tempo-overgangen op logische wijze te verbinden. Als hij even een uitzonderlijk hoge of lage noot raakt, lijkt dat ook al moeiteloos te gaan. Zijn timing suggereert soms dat hij vanuit een hangmat ligt te blazen.
Dat alles komt van pas, want hij zette zijn tanden in twee veeleisende tromboneconcerten. Van die werken die uit meerdere delen bestaan en waarin de trombonist de hoofdrol speelt. Begeleid door een orkest, in dit geval steeds een big band.
Het betreft de Trombone symphony uit 1938 van de vooral als klassieke componist bekend staande Roy Harris (1898-1979) en de Night suite (2014) van Scott Ninmer (1989), een voormalige leerling van Pugh die tegenwoordig als ‘Gunnery Sgt. Scott Ninmer’ arrangeert voor het orkest van de Amerikaans marine. Dat heet voluit 'The president’s own United States marine band', maar schijnt volgens de betreffende concertagenda nog steeds te functioneren. Het is zelfs multicultureel samengesteld.
Met name het werk van Ninmer stelt hoge eisen aan de solist; die moet lezen als een raaf én passend kunnen improviseren. Beide werken kunnen als ‘gematigd-modern’ of zelfs ouderwets worden beschouwd, aangezien ze terugvallen op vertrouwde harmonieën en - bij Ninmer - de al even vertrouwde koperklanken, zoals we die kennen van legerorkesten.
Het werk van Harris wordt terecht gepresenteerd als een vergeten parel. Het werd destijds nooit ten gehore gebracht op de bühne. Harris schreef het voor Tommy Dorsey, een immens populaire trombonist in die jaren. Volgens de liner notes speelde Dorsey een deel ervan even door met zijn orkest, vond het te moeilijk - voor de band maar vast ook zijn publiek - om het daarna terzijde te schuiven.
De liner notes melden ook dat Harris volgens de muziekpolitie niet altijd helemaal meetelde; hij was geen volgeling van Stravinsky en zijn muziek klonk simpeler en toegankelijker dan die van tijdgenoten. Maar hij trok wel degelijk publiek. Pugh schrijft dat je in deze Trombone symfonie al de ‘roots of minimalism’ hoort, hier en daar.
Mijn indruk is: één stap verder, en je bent bij Bob Graettinger, die na de Tweede Wereldoorlog vooruitstrevend arrangeerde voor Stan Kenton. (Overigens: Kenton gaf de excentrieke Graettinger wel degelijk emplooi, maar Dorsey stond kennelijk niet open voor zo’n avontuur.)
Er komt geen noot improvisatie in voor, want zoiets leerde je niet op het conservatorium. Het was al bijzonder dat Harris met een big band wilde werken.
Jazzchorussen horen we wel in de Night suite van Ninmer. In drie delen volgt Ninmer een echtpaar dat na het werk gehaast thuis komt, geleidelijk indaalt, gaat dansen in de woonkamer en ten slotte belandt in iets van rusteloosheid; het besef dat je nog van alles zou kunnen doen voordat de laatste uren van de nacht verglijden als zand tussen je vingers. Pugh gaf destijds de compositieopdracht en is zo te horen nog altijd vereerd met de uitkomst ervan.
Bezetting:
Big band o.l.v. Marin Alsop
Met: Jim Pugh - trombone
Verder o.a.: Ted Nash - saxen
Bill Charlap en Jim Beard - piano




