JazzNu heeft januari uitgeroepen tot de Maand van de Contrabas. Het instrument krijgt volop aandacht in de vorm van vijf interviews met contrabassisten die een bijdrage hebben geleverd aan de ontwikkeling van de jazz- en improvisatiemuziek in Nederland. Op vijf achtereenvolgende zaterdagen, te beginnen op 2 januari, publiceert JazzNu een portret: 2-1 WILBERT DE JOODE, 9-1 Wiro Mahieu, 16-1 Ernst Glerum, 23-1 Mick Paauwe, 30-1 Eric van der Westen.

 

Foto Gemma van der Heyden/JazzNu.comHij strijkt nogal eens tegen de haren in. Met één knallende snaar kan hij de richting van een groepsimprovisatie veranderen. Maar het contrabasspel van Wilbert de Joode weet ook van liefkozen, fluisteren en opzwepen. Altijd is hij op zoek naar die ene klank. “Zodra muziek klinkt, verdwijnt ze weer. Maar de ontroering van het moment blijft, en kan je leven bepalen.”

Een eeuwenoud Zaans huis aan een houten ophaalbrug. Twee kano’s langs de sloot. Een om eten miauwende kat. Tegenover het woonhuis staat een tweede huisje in Zaanse stijl, eigenhandig uit sloophout opgetrokken. Daarbinnen is eigenlijk maar plaats voor één persoon die zijn in werkschoenen gestoken voeten trefzeker neerzet tussen drie contrabassen, een toegetakeld Höfnerbasje, een wand met strijkstokken, een werkbank met gereedschap en een verzameling parafernalia die er in de loop van de tijd een plek hebben gevonden.

Hier repeteert Wilbert de Joode (1955), zonder twijfel de eigenzinnigste contrabassist van het land. Begon hij begin jaren tachtig bij de band van tenorist en geestverwant Armando Cairo en het Vera Vingerhoeds Kwartet als basgitarist, in het Ig Henneman Quintet stapte hij later over op contrabas. Sinds begin jaren negentig maakt hij deel uit van het “nog altijd schitterende” Ab Baars Trio, Eric Boeren Kwartet en Bik Bent Braam. In zo’n 35 jaar experimenteren en luisteren – net zo goed naar stiltes als naar klanken – ontwikkelde hij een unieke Wilbert de Joode-stijl. Waar andere bassisten in de jazz en improvisatie vooral pizzicato spelen (plukken) maakt hij minstens zoveel gebruik van de strijkstok, ook col legno (strijken met het hout van de stok) en col legno battuto (de snaren aanslaan met de stok). Zijn klank, zeggingskracht en vocabulaire spreken ook jongere generaties improviserende muzikanten aan.

POOLSE PIANISTE

Met Jasper Stadhouders en Onno Govaert vormt hij het Trio Govaert-Stadhouders-De Joode. Binnenkort komt een nieuwe cd van het trio uit, evenals de eerste cd die hij maakte met de jonge Poolse pianiste Marta Warelis en Onno Govaert. Ook van het volledig vrij improviserende trio Kaufmann-Gratkowski-De Joode komt een nieuwe cd uit.

Foto Gemma van der Heyden/JazzNu.comWat hem drijft, willen we weten. Waar we zijn fenomenale intense improvisatiespel aan te danken hebben. Is hij van huis uit zo dwars? Wie zijn zijn helden? Wat staat er in zijn muziekkast? Maar op geijkte vragen heeft Wilbert de Joode geen geijkte antwoorden. Hij komt niet uit een muzikaal gezin. Zijn cd- en platencollectie noemt hij “een rommeltje: van alles wat”. Als hij al eens muziek opzet is het meestal Jimi Hendrix. En inspiratie vinden bij je helden – is dat niet een romantisch idee? “Eigenlijk ben ik niet zo interessant voor een interview”, meent hij.

“Mijn vader ging bij ons weg toen ik vijf was. Het enige wat in huis van hem overbleef waren een piano, waar ik weleens op speelde, maar niets serieus’ en wat platen. De meeste indruk maakte een ep (mini-lp, amv) met Afrikaanse muziek. Dat waren totaal andere klanken dan ik ooit eerder gehoord had.”

Op de middelbare school blowde hij veel, het liefst onder schooltijd. “Het waren de nadagen van love en peace. We lagen gewoon lekker te blowen in het gras terwijl de lessen bezig waren. Mijn moeder heeft toen nog eens besloten om mij weer in contact te brengen met mijn vader. Dat werd een rare ontmoeting. Het was gewoon een man die nooit een vaderrol op zich had genomen.”

De jonge Wilbert de Joode had idee noch ambitie om muzikant te worden. Hij kocht elpees met oude blues van Leadbelly en Blind Lemon Jefferson en speelde akoestische gitaar – “iedereen speelde in die tijd House of the Rising Sun”. Toen hij zestien was, overleed zijn moeder en kwam er helemaal niets meer van school terecht. Drie jaar lang deed hij van alles: van boekbinden tot buurthuiswerk. Tot hij zijn vrouw Mariejan leerde kennen en bij haar thuis tegen een basgitaar aan liep.

NACHTCLUBARTIEST

“Ik ben gewoon ontzettend laat begonnen”, zegt Wilbert de Joode. De vondst van de Höfner, het semi-akoestische beatlebasje dat hij inmiddels een kleine veertig jaar heeft, was een sleutelmoment. “Het register sprak me enorm aan. Ik haalde de fretten eraf, ging studeren door muziek van cassettebandjes na te spelen. Al snel zat ik bij een funkbandje en daarna bij een heuse nachtclubband. Door de week deden we Green Green Grass of Home, in de weekenden top-40-hits: van George Benson tot The Police.”

Foto Gemma van der Heyden/JazzNu.comAchteraf bezien lijkt het onwaarschijnlijk, maar misschien was Wilbert de Joode wel nachtclubartiest gebleven als niemand hem erop had gewezen dat het interessant was wat hij deed. “Bart van Helsdingen ging een keer mee en vond het mooi dat ik variaties aanbracht in de baslijnen. Hij wees me erop dat er zoiets bestond als improviseren en dat ik dat eigenlijk al deed.”

Het nachtclubwerk verdiende zo goed dat mensen er bleven hangen. Wilbert de Joode merkte het ook: “Je raakt verwend door het geld”. Maar de woorden van Bart hadden een nieuwe ambitie wakkergemaakt. Toen hij en zijn broer Jeroen van Helsdingen de nieuwe jazzopleiding aan het conservatorium gingen doen, volgde Wilbert de Joode in hun kielzog de vooropleiding. Datzelfde jaar verhuisde hij met Mariejan naar Hilversum om een gezinshuis te stichten voor kinderen van ouders die niet voor ze konden zorgen. Van studeren kwam weinig terecht, met als gevolg dat de conservatoriumopleiding aan zijn neus voorbijging.

“De anderen, die wel aan het conservatorium studeerden, gingen met sprongen vooruit. Ik studeerde thuis, zonder leraar om me bij de les te houden. Als ik een toonladder voor de tweede keer speelde, begon ik alweer te improviseren. Gelukkig bleven de anderen mij vragen om met ze te spelen. Ik maakte veel fouten – alleen al omdat ik geen bladmuziek las, zoals zij – en ik oefende mezelf om daar niet van te schrikken, maar die fouten ten goede te keren. Zo leerde ik al spelend, luisterend en bluffend.”

WAKKER BASJE

Toen Misha Mengelberg een keer met Wilbert de Joode speelde, maakte hij een opmerking over diens instrument: “Dat is wel een erg wakker basje.” Hij doelde op de kleinste van de drie bassen in de studio van Wilbert de Joode, een bijzonder exemplaar waarvan er maar twee zijn gemaakt.

“Toen ik dieper in de geïmproviseerde muziek doordrong, zocht ik een contrabas met meer dynamiek; het vermogen om heel hard en heel zacht te kunnen spelen. Als je een gelijkwaardige partner wil zijn in de impro, moeten niet alleen je taal en vocabulaire maar ook je klank zo rijk en krachtig zijn dat je invloed kunt uitoefenen, door alle muziek heen kunt snijden. Daarom ging ik op zoek naar een grotere bas. Elke week kwam ik bij basbouwer Harry Jansen om zijn nieuw binnengekomen instrumenten te proberen. Meestal staan er zo’n twintig bassen die je allemaal kan aanraken, dat is waanzinnig.

“Op een dag stond daar een kleine bas. Een beauty. Kijk hoe de krul gemaakt is: niet helemaal rond. Alle onderdelen zijn speciaal gemaakt, de knoppen nog van ivoor. Zo’n kleine bas, een chamberbass, had ik nog nooit gezien en zocht ik ook niet. Ik wilde een groot stoer instrument. Totdat ik hem probeerde. Ik heb veel respect voor alle instrumenten, maar als je dit doet bij een bas” – hij haalt zijn duim langs de snaren – “dan hoor je meteen: nee, dit wordt niks tussen ons. De kleine bas klonk meteen goed. Een weeklang mocht ik hem thuis uitproberen. Gestreken klonk hij als fluweel – met staalsnaren al. Hij had een prachtig timbre en meer geluid dan je zou vermoeden. Ik deed een bod, maar het was niet voldoende. 36.000 gulden was in die tijd voor mij het hoogste. Jammer, zei Harry, maar voor dat bedrag kun je wel deze kopen. Hij haalde precies zo’n zelfde, maar veel gehavender exemplaar tevoorschijn. Het waren tweelingen, gebouwd door John Lott in 1840. Altijd waren ze samen van eigenaar veranderd en slechts een van de twee was altijd bespeeld. Die heb ik nu. Ernst Glerum kocht later de andere.”

Foto Gemma van der Heyden/JazzNu.comSTRIJKSTOKMAKER

Drie van de acht strijkstokken aan de muur maakte Wilbert de Joode zelf. Prachtige exemplaren zijn het, met een natuurlijke, lichte boog, nerf voor nerf gepolijst tot ze glad als zijde waren. De beharing komt natuurlijk van de staarten van Mongoolse paarden, zoals het hout liefst pernambuk moet zijn. “Dat is hardhout uit Brazilië met een fijne nerf, prima te bewerken”, legt hij uit. Als je de stok zorgvuldig uit de natuurlijke structuur van het hout schaaft, krijgt hij precies de soepelheid die nodig is bij het aanstrijken van de snaren. “Zou je zachter hout gebruiken, dan buigt de stok te makkelijk en is hij lastig onder controle te houden. Gebruik je een hardere soort, zoals slangenhout, dat is wel mooi” – hij laat een strijkstok zien van hout waarin de tekening van slangenhuid te herkennen is – “maar dan is de stok minder flexibel.”

Nee nee, hij is geen kenner van hout, weert hij af. Het materiaal is niet zo belangrijk, in feite het hele instrument niet. Het draait allemaal maar om één ding: de klank. Daarom is hij, jaren geleden al, op darmsnaren overgestapt. “Toen ik nog op stalen snaren speelde, had ik een probleem.” Hij richt zich op en plukt aan de snaar van een contrabas. Het geluid knalt door de ruimte. “Als ik dit op stalen snaren doe, knappen ze. Dat gebeurde me nogal eens. Daar heb ik mee om leren gaan, als er drie breken, kan ik genoeg hebben aan één snaar. Toch was ik ongelooflijk blij toen ik de darmsnaren ontdekte. Niet alleen bleken ze niet te breken, ze hebben ook precies de klank die ik zoek. Met darm blijf je het hout horen. Dat geeft een veel warmer timbre aan het geluid.”

IDEALE KLANK

Maar die klank, die ene ideale klank, dat is waar het hem allemaal om draait, elk concert en elke repetitie weer. “Waar je geen recept voor hebt, zijn de momenten dat je samen met anderen zo speelt dat de muziek voorbijgaat aan het materiaal. Dat is het mooiste en gebeurt alleen als je echt in het moment kunt zijn. In het begin was dat het allermoeilijkste, om het denken uit te schakelen tijdens het spelen: moet ik nou zodirect een bes of… en dan ben je al te laat. Je kunt beter je intuïtie volgen en erop vertrouwen dat die ene hoge noot die je wilt spelen, of dat nou een es of een as is, dat het de goede is. Als het lukt voel je je vingers en de bas niet meer. Het voelt heel kernachtig, heel gefocust en tegelijk heb je juist extreem je antennes naar buiten. Er is alleen nog maar de klank die je samen speelt. Ik heb het soms een moment tijdens een concert. En ik heb misschien drie keer in mijn leven een heel concert zo gespeeld. Het is bijna eng, maar sensationeel, onvergelijkbaar met wat dan ook.”

ANNE-MARIE VERVELDE
beeld GEMMA VAN DER HEYDEN

Wilbert de Joode over zijn manier van musiceren in De Muzen:
https://www.youtube.com/watch?v=7Mm_vLyL9iE

Solo Angels’ Share in het Westerpark, Amsterdam:
https://www.youtube.com/watch?v=2wTndujzy10

Solo-cd Olo (Wig, 2000):
https://itunes.apple.com/us/album/olo/id468902160

Previous

Stranger Than Paranoia taart met enorme toef slagroom

Next

Archie Shepp maakt zichzelf niet wijs dat hij beroemd is

1 comment

  1. Hallo Rinus en Anne-Marie,
    Dat vind ik nou leuk en verschrikkelijk interessant: vijf bassisten op een rij. En wat voor bassisten. Ik kijk er elke week naar uit.
    Mooie mensen en hun muziek.
    Dank. Hessel.

Comments are closed.

Lees ook