Henk Zomer. Geen naam die je spontaan te binnen schiet, terwijl de drummer toch al zo’n 45 jaar meeloopt in het Nederlandse jazzcircuit. In 1972 ging Henk Zomer (1954) naar het Conservatorium van Zwolle. Tweeëneenhalf jaar, langer hield hij het daar niet uit. Liever ging hij zelf op avontuur. Alles wat hij hoorde en kon ontdekken, maakte hij zichzelf eigen. “Ik heb alles zelf aangeleerd. Door kijken en luisteren”, zo schetst de Zwollenaar zijn muzikale achtergrond. Henk Zomer is een uiterst relaxte man, een jointje op zijn tijd zal daar best debet aan zijn. Hij is een musicus die zijn ziel heeft geofferd aan jazzmuziek. Zonder spatjes, gewoon spelen. Dat doet hij met eenieder die hem vraagt. En dat zijn er nogal wat. Van Jarmo Hoogendijk en Ben van den Dungen in vroegere dagen, tot Herman van Veen, Chris Hinze, Jan Akkerman en Eef Albers om maar even wat zijwegen te bewandelen. Maar ook Jasper van ’t Hof wist hem te vinden, evenals Rob Franken, Wim Essed, Jos Machtel, Benjamin Herman, Peter Guidi, Rob van den Broeck, Chet Baker, John Tchicai, Frans van der Hoeven, Horace Parlan, Teddy Edwards, Michiel Borstlap, Dick de Graaf, de rij is schier eindeloos. De vorige Jazz-tafettestokjesdrager René van Helsdingen droeg hem voor; zwerver in de jazzmuziek Henk Zomer aanvaardde het stokje met plezier.

Waar ben je op dit moment mee bezig?
Met dit interview, hahaha… Maar serieus: ik ben met René van Helsdingen en Jos Machtel zojuist met een nieuw trio begonnen. Elke derde zondag van de maand organiseer ik hier in Zwolle in café Koos een concert. Vorige week benaderde ik daarvoor Jasper van ’t Hof, Anton Goudsmit en Sven Schuster. Jasper speelde op het orgeltje van de eigenaar van het café. Organiseren in café Koos doe ik nu voor het tweede jaar, daarvoor veertien jaar lang in café De Heetebrij, naast Koos. Daar speelde ik met iedereen die je maar kunt bedenken. En dan doe ik nog iets voor de Wresinski Cultuur Stichting op het voormalige terrein van Philips hier in Zwolle. Joseph Wresinski was een priester in Parijs, die theater ging maken met arme mensen. Zijn initiatief bestaat nog steeds, het Landelijk Centrum is in Den Haag. Elke week nodig ik mensen uit en dan gaan we improviseren. Niet per se jazz, we communiceren gewoon met muziek. Enne, ik ga vaak naar sessies en geef ook nog les.

Welke herinneringen aan je carrière zijn je het dierbaarst?
Toen ik een jaar of veertien, vijftien was organiseerde Stichting Jazz Zwolle een concert met Joe Albany, de pianist van Charlie Parker. Dat vond ik nogal wat. Op 21-jarige leeftijd woonde ik een concert bij van het Trio Rob Franken met Joe Henderson. En o ja, ik heb nog spaghetti gekookt voor Chet Baker. Chet ging een tijdje in huis wonen bij Evert Hekkema (trompettist en hoornist, rvdh). Chet speelde toen in het Smirnoff Quintet van René van Helsdingen. Ik was toevallig bij Evert toen Chet Baker binnen kwam en omdat we nog moesten eten, heb ik spaghetti gekookt. Nadien heb ikzelf met Chet gespeeld in Leuven.

Waarom doe je graag wat je doet?
Omdat ik niets leukers kan verzinnen. Drummen is zo’n leuke bezigheid. Het is een constant onderzoek naar motoriek. Ik ben linkshandig en als kind moest ik op de lagere school rechts schrijven. Daaruit ontstond bij mij de fascinatie voor wat je met links en rechts kunt doen. Een drummer is zó in balans met beide kanten en dan komen daar ook de voeten nog bij. Als ik met rechts begin, wil ik het automatisch ook omgekeerd doen, met links dus.


Wanneer is je passie voor jazz ontstaan?
Als kind. Mijn ouders hielden van jazz. Mijn moeder hield van moderne jazz, onder andere van die van Stan Kenton. Mijn vader speelde altsaxofoon en klarinet, later ook tenorsax, maar niet specifiek jazz. Hij speelde in de big bands Last Moment en Kampen. Op zeker moment ging ik met hem mee om te luisteren. Mijn voorliefde voor muziek had overigens niets te maken met de mensen met wie ik omging.

Van welke ontwikkeling in de jazzgeschiedenis had je onderdeel willen zijn?
Volgens mij ben ik een onderdeel van de eeuwig durende jazzontwikkeling. Ik ben altijd nieuwsgierig als het om jazz en andere muziek gaat. Ik luister veel naar Casey Radio 97.7 fm. Dat is een Australische radiozender die 24 uur per dag jazz uitzendt. Er komt van alles voorbij.

Wat is het bizarste dat je ooit mee hebt gemaakt tijdens een concert?
Ik speelde met Herman van Veen in Zürich. In het programma zat een of ander stuk over een revolver. Na afloop van het concert was er een tas aan een stoel blijven hangen, mét een pistool erin. Waar dat wapen vandaan kwam en hoe deze kwestie is afgelopen, weet ik niet meer. Vond ik wel heel apart. Ik speelde met Herman ook vaak in Duitsland. Zijn liedjes gingen nogal eens over de oorlog. Dan doet het wel iets met je als je in een zaal optreedt waar ook Adolf Hitler heeft gezeten.


Waar vind je inspiratie?
Als ik muziek hoor van hele goede uitvoerders. Ik blijf altijd op zoek naar mensen die ik toen ik ze hoorde, heel goed vond spelen. Het is te gek om met die musici op het podium te staan. Dat is in een aantal gevallen ook gelukt.

Wat is het spannendste dat je ooit hebt ondernomen?
Een concert van Tony Williams in Wageningen, ik dacht in 1970 of ’71, waar hij een Edison kreeg. Maar ja, het spannendst…? Dat was toen ik een jaar of zestien, zeventien was en we in een BMW met 220 km per uur naar een nachtconcert van Miles Davis naar Rotterdam scheurden. In 45 minuten van Zwolle naar Rotterdam! Na Miles trad Focus op en dat had van mij dan weer niet gehoeven.

Welk muziekstuk of album heeft voor jou een speciale betekenis?
De RCA-Victorelpee Les Solistes du Duke uit 1963 met onder andere Barney Bigard, Rex Stewart, Johnny Hodges, Ben Webster, Cootie Williams, Harry Carney, Jimmie Blanton en Ray Nana. Fantastisch, draai ‘m nog elke week. Toen ik 17 jaar was vond ik de muziek van mijn ouders koeienstront. Ik was van de moderne dingen zoals John McLaughlin en Soft Machine. Maar van deze beat (hij heeft inmiddels de Ellingtonplaat opgezet, rvdh) ben ik nog altijd gefascineerd.


Wat neem je altijd met je mee?
Een open ‘mind’.

Welke actualiteit heeft je aandacht?
Veel! (Na een heel lange denkpauze, rvdh): Innovatie in de wetenschap. Ik volg het allemaal niet echt op de voet. Maar nieuwe ontwikkelingen zijn zo ongrijpbaar. Dat mensen in staat zijn steeds verder te komen, dat vind ik zo knap.

Wie is je grote voorbeeld buiten de jazz?
Ik vind het moeilijk om één persoon te noemen. Ik denk aan (saxofonist) Toon Roos en (tennisser) Roger Federer. Alles wat perfectie met een lijf inhoudt, boeit mij. Federer is op dat gebied ongelooflijk. Mensen die het goed voor hebben met de wereld interesseren mij ook. Op dat gebied kan ik niet zo snel een naam noemen.


Wat intrigeert je aan je instrument?
De klankmogelijkheden op een drumstel zijn onbegrensd. Als je erop tikt kun je niet van tevoren zeggen hoe het gaat klinken. Elke stok geeft bovendien een andere tik. En vervolgens in timing gaan spelen, dat is waar muziek over gaat.

Wat heb je geleerd van je muziek?
Wie ik ben. En ook dat je met elkaar wilt communiceren en een samenklank wilt ervaren. Dat je niet weet wat er gaat komen, omdat samen muziek maken een proces is. Een dat altijd nieuw en anders is. Luister maar naar deze muziek (nog altijd de Ellington-elpee die draait, rvdh)

Wat wilde je vroeger altijd worden?
Vanaf dat ik denk, ben ik muzikant. Ik heb me nooit met iets anders bezig gehouden. Mijn eerste betaalde schnabbel had ik toen ik veertien jaar was. En mijn eerste trommel maakte ik van een varkensblaas en een wasketel. Eigen initiatief: ik ging naar het abattoir en haalde daar een blaas. Ik maakte de blaas nat en spande die om de ketel heen. Toen de zaak was gedroogd had ik mijn eerste eigen trom. Nadien had ik op een bepaalde hoogte de ketel afgezaagd. Aan de onderkant bevestigde ik een plastic zak met balpenveertjes. Dat was mijn eerste snare.


Wanneer ervaar je de vrijheid te falen?
Altijd. Falen maakt me niet uit. Ik voel me vrij.

Welke ontwikkeling in de jazz juich je toe?
Alle ontwikkelingen natuurlijk. Die zullen nooit stoppen. En ik heb geen voorkeur in welke richting jazz zich ontwikkelt.

Met wie werk je graag samen?
Sowieso met Jos Machtel. Maar ook met Benjamin Herman, Maarten van der Grinten, Ben van Gelder, Juraj Stanik… en vele, vele anderen.

Welke dromen liggen nog voor je?
Muziek blijven maken. Plus goede en avontuurlijke dingen blijven uitproberen.

Aan wie geef je het Jazz-tafette stokje door?
Aan Maarten van der Grinten. Hem heb ik heel hoog. Maarten is een fantastische gitarist en een zeer goede componist. Hij is een grote geest en kan prachtig muziek maken. Misschien is hij niet de meest virtuoze uitvoerder, maar wat betreft ideeënrijkdom is hij een geweldige musicus. Ik had ook nog andere namen in gedachten, maar Maarten krijgt het Jazz-tafettestokje.

RINUS VAN DER HEIJDEN
Foto’s GEMMA VAN DER HEYDEN

 

Previous

Albert van Veenendaal en de kunst van het prutsen

Next

Wat een feest, Levanter met Vloeimans, Van Vliet en Azmeh

Lees ook